ECLI:NL:RBNHO:2021:8304

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 september 2021
Publicatiedatum
24 september 2021
Zaaknummer
15.116004.21
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Leerplichtwet 1969Art. 5 lid 1 sub a Leerplichtwet 1969Art. 7 Leerplichtwet 1969Art. 8 lid 2 Leerplichtwet 1969Art. 9a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen straf voor niet nakomen leerplicht door moeder ondanks bewezen feit

De kantonrechter heeft vastgesteld dat verdachte de verplichting uit artikel 2 van Pro de Leerplichtwet 1969 niet is nagekomen door ervoor te zorgen dat haar dochter de ingeschreven school geregeld bezocht in de periode van 17 augustus 2020 tot en met 17 februari 2021.

Hoewel de verdediging een beroep op overmacht deed vanwege de hoogbegaafdheid van de dochter en het thuisonderwijs, oordeelde de rechtbank dat dit beroep faalde. De kantonrechter stelde dat er geen sprake was van een noodtoestand en dat verdachte zelf naliet de vrijstelling adequaat te onderbouwen.

De officier van justitie vorderde een geldboete van €1.500, maar de kantonrechter legde geen straf op. Dit vanwege de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de persoon van verdachte, het feit dat de dochter sinds 2019 thuisonderwijs ontvangt dat als deugdelijk is beoordeeld, en het ontbreken van eerdere veroordelingen.

De kantonrechter maakte gebruik van het 'rechterlijk pardon' zoals bedoeld in artikel 9a Sr, waardoor ondanks bewezen strafbaar feit geen straf of maatregel werd opgelegd.

De uitspraak benadrukt de complexiteit van leerplichtzaken waarbij bijzondere omstandigheden spelen, zoals hoogbegaafdheid en thuisonderwijs, en de ruimte die de rechter heeft om straf op te leggen of niet.

Uitkomst: Verdachte is schuldig aan het niet naleven van de leerplicht, maar krijgt geen straf opgelegd vanwege het rechterlijk pardon.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Kantonrechter
Parketnummer: 15.116004.21
Uitspraakdatum: 20 september 2021
tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 september 2021 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. L. Hartjes en van wat verdachte en haar gemachtigde, [gemachtigde] , naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 augustus 2020 tot en met 17 februari 2021 te [plaats] , althans in Nederland als degene die het gezag uitoefende over de jongere [de jongere] , geboren op [geboortedatum] , althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van de jongere [de jongere] geboren op [geboortedatum] , had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten ' [naam school] ', stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze kantonrechter is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat er geen geslaagd beroep op een vrijstelling kan worden gedaan, nu niet aan de vereisten genoemd in artikel 5 lid 1 sub a juncto Pro artikel 7 van Pro de Leerplichtwet (Lpw), is voldaan. De verdachte heeft namelijk geen verklaring van een arts, psycholoog of pedagoog overgelegd waaruit blijkt dat de jongere door psychische klachten niet in staat is om onderwijs te volgen.
3.2.
Redengevende feiten en omstandigheden
De kantonrechter komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de kantonrechter – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
Het klopt dat [de jongere] staat ingeschreven bij de [naam school] te [plaats] en dat zij in de tenlastegelegde periode niet naar school is geweest.
- Een proces-verbaal Leerplicht, met proces-verbaalnummer: PV/ 0441-01-EB. Dit proces-verbaal houdt in de op 22 februari 2021 vastgestelde en getekende verklaring van [leerplichtambtenaar] , leerplichtambtenaar in dienst van de gemeente [gemeente] .
Het door de kantonrechter als proces-verbaal aangeduid bewijsmiddel is in de wettelijke vorm opgemaakt door een persoon die daartoe bevoegd is en voldoet ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.
De kantonrechter stelt verder vast dat niet aan één van de vrijstellingsgronden van artikel 5 van Pro de Leerplichtwet is voldaan. Hierdoor is de verdachte niet vrijgesteld van de in artikel 2 van Pro de Leerplichtwet gestelde verplichting om ervoor te zorgen dat haar dochter Janice de school waar zij staat ingeschreven geregeld bezoekt.
3.3.
Bewezenverklaring
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
zij in de periode van 17 augustus 2020 tot en met 17 februari 2021 te [plaats] , als degene die het gezag uitoefende over de jongere [de jongere] , geboren op [geboortedatum] , niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten ' [naam school] ', stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht.
Wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4.1.
Kwalificatie van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen
4.2.
Strafbaarheid van het feit
4.2.1.
Beroep op overmacht
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake van een overmacht situatie in de zin van een conflict van plichten, met aan de ene kant de plicht tot geregeld schoolbezoek en aan de andere kant de plicht om [de jongere] te beschermen tegen de desastreuze effecten van schoolbezoek dat niet aansluit op haar geestelijke eigenschappen, zoals die door twee deskundigen zijn geconstateerd. Het bezoek aan deze school zou de ontwikkeling van [de jongere] schaden omdat zij uitzonderlijk hoogbegaafd is (IQ >145) en deze school haar überhaupt niet de doorgaande ontwikkeling zou kunnen bieden, waar zij gezien de Wet Primair Onderwijs recht op heeft. Sinds [de jongere] thuisonderwijs volgt gaat het goed met [de jongere] . Zij voelt zich gelukkig, ontwikkelt zich goed en krijgt voldoende onderwijs in de ogen van Stichting Keurmerk Thuisonderwijs. Daarbij stelt de verdediging dat de ouders de vrijstelling voor het schooljaar van 2020-2021 opnieuw hebben aangevraagd, maar dat zij geen eerlijke kans hebben gekregen om het beroep op een vrijstelling te kunnen laten slagen. De ouders is weliswaar de mogelijkheid geboden om contact op te nemen met een GGD-arts, [GGD-arts] , maar deze arts had al eerder een afwijzend oordeel gegeven en bovendien had de leerplichtambtenaar als voorwaarde gesteld dat er sprake moest zijn van nieuwe omstandigheden, terwijl de situatie ongewijzigd was gebleven. Verder moesten de ouders ervoor zorgen dat het samenwerkingsverband en de school van inschrijving elk nieuwe inhoudelijke informatie aan de arts konden geven. De ouders zijn hier niet op ingegaan. Dat konden zij ook niet op zinnige wijze doen, alleen al omdat de school de door de leerplichtambtenaar als vereist aangegeven informatie over [de jongere] niet kon geven omdat [de jongere] de school het voorafgaande schooljaar 2020-2021 niet heeft bezocht.
4.2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een noodtoestand, nu nog niet alle mogelijkheden zijn uitgeput om voor de jongere op school een passend onderwijsaanbod te creëren.
4.2.3.
Oordeel van de kantonrechter
Naar het oordeel van de kantonrechter is in het onderhavige geval een situatie van overmacht (in de zin van een noodtoestand), als bedoeld in artikel 40 van Pro het Wetboek van Strafrecht niet aannemelijk geworden. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.
Op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde op de zitting is niet komen vast te staan dat de situatie van [de jongere] op school zo slecht voor haar was dat er geen andere mogelijkheid was dan om haar thuis te houden en haar zelf onderwijs te gaan geven. Op school werd een vrolijk en blij meisje met een ontwikkelingsvoorsprong gezien. Verder bieden de rapportages van [naam] en [naam] onvoldoende steun voor de stelling dat [de jongere] in de periode dat ze nog naar school ging thuis zo slecht in haar vel zat dat verdere schoolgang haar grote schade zou berokkenen. Daar komt bij dat niet is gebleken dat er geen mogelijkheden meer waren voor een meer passend onderwijsaanbod (zoals het programma voor meerkunners). Dit programma is niet ingezet kunnen worden, omdat [de jongere] toen al thuis werd gehouden.
De verdachte is, zo begrijpt de kantonrechter het betoog van de gemachtigde, mede in de situatie van overmacht terechtgekomen omdat haar beroep op vrijstelling voor het nieuwe schooljaar bij voorbaat kansloos was vanwege de (onterechte) voorwaarden die daaraan werden gesteld. De kantonrechter verwerpt dit betoog en overweegt daartoe dat het op de weg van de verdachte had gelegen om zich in te spannen om het beroep op vrijstelling te onderbouwen met de benodigde stukken. Zij had alsnog het verlangde begaafdheidsonderzoek met handelingsadviezen voor school in kunnen brengen of onderzoek kunnen doen naar het programma voor meerkunners. Op zijn minst had verdachte bij de school kunnen verifiëren welke extra informatie nog gewenst was. De verdachte zag daar evenwel bij voorbaat geen heil in en heeft het erbij laten zitten. Ook is zij niet meer met de leerplichtambtenaar in gesprek gegaan. De verdachte is dus zelf mede debet aan de volgens haar ontstane noodtoestand. Zij kan zich daarom niet met vrucht beroepen op overmacht. Het betoog faalt.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.500,00.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting gepleit voor een schuldigverklaring zonder het opleggen van een straf of maatregel, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging gesteld [de jongere] kennelijk niet door de wetsovertreding wordt geschaad, omdat er behoorlijk onderwijs en vorming plaatsvindt. Daarbij hebben de verdachte en haar man eerder dit jaar een beroep gedaan op grond van artikel 5 onder Pro b Lpw voor hun jongere dochter [jongere dochter] . Dit beroep hebben zij toegelicht met een lijst met hun richtingsbezwaren tegen de omliggende basisscholen, gebaseerd op hun spiritueel humanistische levensbeschouwing. De leerplichtambtenaar heeft hierop de vrijstelling van [jongere dochter] bevestigd. Als de wet hen de ruimte had geboden om ook voor [de jongere] een geldig beroep te doen op artikel 5 lid 1 sub b Lpw Pro, dan zouden zij dit in juni 2020 ook hebben gedaan.
6.3.
Oordeel van de kantonrechter
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de kantonrechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de kantonrechter het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft niet voldaan aan de op haar rustende verplichting er voor te zorgen dat haar dochter [de jongere] in de periode van 17 augustus 2020 tot en met 17 februari 2021 naar de school ging waar zij staat ingeschreven, te weten ‘ [naam school] ’. Hiermee heeft de verdachte er blijk van gegeven onvoldoende belang toe te kennen aan deze wettelijke plicht.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de kantonrechter in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 26 mei 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder (onherroepelijk) is veroordeeld.
De kantonrechter heeft voorts gelet op wat de verdachte ter terechtzitting heeft aangevoerd met betrekking tot haar persoonlijke omstandigheden.
Alles afwegende is de kantonrechter van oordeel dat in verband met de omstandigheden waaronder het feit is begaan, geen straf of maatregel dient te worden opgelegd. De kinderrechter neemt hierbij het volgende in overweging. [de jongere] wordt vanaf de zomer van 2019 thuis gehouden van school. Zij ontvangt sindsdien thuisonderwijs, waarvan de kwaliteit door de Stichting Keurmerk Thuisonderwijs als deugdelijk is beoordeeld en waarvoor een certificaat voor de duur van drie jaar is afgegeven. Verder komen uit de ingebrachte rapportages van [naam] , [naam] en Veilig Thuis geen zorgen over de opvoedsituatie en de ontwikkeling van [de jongere] naar voren, integendeel. Tot slot is gebleken dat voor de jongste dochter van verdachte, het zusje van [de jongere] , het beroep op vrijstelling van de verplichting om haar op een school in te schrijven is gehonoreerd, wegens overwegende bedenkingen van de ouders tegen de richting van de scholen binnen redelijke afstand van de woning. Deze bedenkingen zijn gebaseerd op de spiritueel humanistische levensbeschouwing van de ouders. Voor [de jongere] kan echter geen beroep op deze vrijstellingsgrond worden gedaan omdat zij toen al was ingeschreven op de school en artikel 8 lid 2 Lpw Pro daaraan dan in de weg staat. Dit is een bewuste keuze van de wetgever geweest en het is niet aan de kantonrechter om daaraan voorbij te gaan. In dit concrete geval leidt het wel tot de onwenselijke situatie dat binnen hetzelfde gezin voor het ene kind wel een rechtsgeldig beroep op vrijstelling kan worden gedaan en voor het andere kind niet.
Alles afwegende is de kantonrechter van oordeel dat oplegging van een straf of maatregel aan de verdachte geen redelijk doel meer dient en dat verdachte in aanmerking komt voor het ‘rechterlijk pardon’ van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissing

De kantonrechter:
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat het onder 3.3 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4.1 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Drenth, kantonrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Kuip,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 september 2021.