Eiser sloot in januari 2018 een overeenkomst met Vechtdal Bouwsystemen voor de plaatsing van een eikenhouten tuinhuis met veranda. Na plaatsing in maart 2018 ontstond onenigheid over de conformiteit van het tuinhuis met de overeenkomst. Eiser schakelde een bouwkundige expert in die gebreken constateerde, waarop eiser schadevergoeding en herstel vorderde. Vechtdal betwistte de gebreken en stelde niet in de gelegenheid te zijn gesteld herstelwerkzaamheden uit te voeren.
De kantonrechter oordeelde dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd welke tekortkomingen precies bestaan en welke verplichtingen uit de overeenkomst voortvloeien. De stelplicht van eiser is niet nagekomen, waardoor de vordering wordt afgewezen. Ook de stelling dat het tuinhuis te hoog is en vergunningplichtig zou zijn, is onvoldoende onderbouwd. Uit het rapport van de expert blijkt dat veel klachten onterecht zijn en erkende klachten door Vechtdal grotendeels erkend en aangeboden zijn te herstellen, maar eiser verhindert herstel, waardoor hij in verzuim is.
De tegenvordering van Vechtdal voor vergoeding van eigen deskundigenkosten wordt eveneens afgewezen omdat Vechtdal niet aannemelijk heeft gemaakt dat het eigen onderzoek noodzakelijk was. Proceskosten worden verdeeld: eiser betaalt de proceskosten van Vechtdal, Vechtdal draagt eigen kosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter Merkus en op 6 oktober 2021 uitgesproken.