Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Procedure
- verzoeker bijgestaan door mr. P. Wieringa;
- de vader bijgestaan door mr. K. Moene;
- de moeder;
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland heeft op 11 oktober 2021 het verzoek tot adoptie door de stiefouder van een meerderjarig kind afgewezen. Het verzoek was gebaseerd op het argument dat de feitelijke band tussen het kind en de stiefouder bestendigd moest worden en dat het kind niets meer van zijn biologische vader als ouder te verwachten had.
De rechtbank stelde vast dat hoewel de stiefouder sinds 2006 een grote rol in het leven van het kind speelt en het kind hem als vader beschouwt, de biologische vader nog steeds een ouderlijke verantwoordelijkheid heeft. Ondanks het langdurige gebrek aan contact tussen vader en kind, kan niet worden aangenomen dat het kind niets meer van zijn vader te verwachten heeft. De primaire zorg- en opvoedingstaken zijn afgenomen, maar de juridische band blijft relevant.
Daarnaast weegt de rechtbank mee dat het kind geen behoefte aan contact met zijn vader heeft, maar deze keuze mogelijk niet volledig vrij is vanwege een belaste voorgeschiedenis en loyaliteit aan de moeder. De rechtbank acht het doorbreken van de juridische band via adoptie te verstrekkend en niet in het kennelijk belang van het kind. Het verzoek wordt daarom afgewezen, waarbij de rechtbank ook opmerkt dat de familierechtelijke ongelijkheid binnen het gezin op andere wijze kan worden opgelost.
Uitkomst: Het verzoek tot adoptie door de stiefouder wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1:227 lid 3 BW en het niet in het kennelijk belang van het kind is.