De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de rechtbank om een 16-jarig meisje onder toezicht te stellen vanwege ernstige gedragsproblematiek, middelengebruik en verstoorde relaties met haar ouders. De ouders en minderjarige hebben verschillende visies op de oorzaak van de problemen, wat vrijwillige hulpverlening bemoeilijkt.
Tijdens de zitting verklaart de minderjarige in te stemmen met de ondertoezichtstelling, hoewel zij het niet eens is met de visie van haar ouders over het seksueel misbruik als oorzaak. De ouders verzetten zich tegen het verzoek en vragen om afwijzing of een kortere termijn van zes maanden.
De kinderrechter oordeelt dat aan het wettelijke criterium is voldaan en dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen en de familierelaties te verbeteren. Gezien de complexiteit en de wachttijden in de jeugdhulpverlening wordt een termijn van twaalf maanden vastgesteld. De Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers krijgt de taak de hulpverlening te coördineren.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.