ECLI:NL:RBNHO:2021:8914

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 september 2021
Publicatiedatum
13 oktober 2021
Zaaknummer
15/075617-19 en 23/001405-16 (TUL)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte autodiefstallen wegens ontbreken wettig bewijs

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 27 september 2021 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van meerdere autodiefstallen in december 2018 te Haarlem. De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van vijf feiten van diefstal met braak, maar erkende dat voor één feit geen bewijs was. Verdachte ontkende betrokkenheid en gaf een alternatieve verblijfplaats op de avond van de feiten.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte medepleger was. De aanwezigheid van verdachte op een fiets met medeverdachte en het aantreffen van inbrekerswerktuigen in de fietstas waren niet voldoende. Verdachte verklaarde dat de fiets en tas niet van hem waren, en er waren geen andere aanwijzingen.

Daarnaast behandelde de rechtbank een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. Hoewel een akte van uitreiking van de oproep ontbrak, was verdachte verschenen en niet tegen behandeling van de vordering opgekomen. De rechtbank wees de vordering af omdat verdachte werd vrijgesproken van de nieuwe feiten.

De rechtbank verklaarde de ten laste gelegde feiten niet bewezen en sprak verdachte vrij. Tevens wees zij de vordering tot tenuitvoerlegging af. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op de openbare terechtzitting.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van autodiefstallen en vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/075617-19 en 23/001405-16 (TUL) (P)
Uitspraakdatum: 27 september 2021
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 september 2021 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.E. Grijsen en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 6 december 2018 te Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een 'multimedia consult (systeem)', in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
(parketnummer 15/034701-19 gevoegd t.t.z. PR 13 mei 2019)
Feit 2
hij op of omstreeks 7 december 2018 te Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een autoradio en/of navigatiesysteem en/of tas met gereedschap waaronder een boormachine, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
Feit 3
hij op of omstreeks 7 december 2018 te Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een navigatiesysteem, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
Feit 4
hij op of omstreeks 7 december 2018 te Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een navigatiesysteem en/of bril (merk: Heritage), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
Feit 5
hij op of omstreeks 7 december 2018 te Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een autoradio en/of navigatiesysteem, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat het dossier geen bewijs bevat dat de onder feit 2 ten laste gelegde navigatiesysteem en/of tas met gereedschap waaronder een boormachine zijn weggenomen. De verdachte moet van dat deel van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
De verdachte heeft bij de politie gezwegen en is eerst ter zitting gekomen met zijn verklaring dat hij de avond en nacht van 6 op 7 december 2018 in het café zou hebben doorgebracht en pas vlak voor zijn aanhouding samen met de medeverdachte [medeverdachte] , de medeverdachte bij toeval tegenkwam en bij hem op de fiets is gestapt. Daarbij noemt hij een café dat niet te vinden is op internet en heeft hij daarover geen nadere gegevens ter verificatie. Deze verklaring schuift de officier van justitie als ongeloofwaardig ter zijde.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen sluitend bewijs is voor betrokkenheid van zijn cliënt bij de feiten. Zijn cliënt is niet op heterdaad aangehouden. Er is geen direct bewijs tegen zijn cliënt. De verdenking tegen cliënt rust in feite enkel op zijn aanwezigheid bij de medeverdachte achter op de fiets, maar dat levert geen bewijs van medeplegen van de tenlastegelegde feiten op. Dat verdachte eerst heeft gezwegen en pas nu vertelt dat hij in het café was, maakt dat niet anders en kan niet leiden tot de conclusie die de officier van justitie daaraan wil verbinden.
3.3
Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij de hem ten laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De omstandigheden dat de verdachte (i) drie kwartier na de melding van de getuige over twee personen op een fiets door de politie in de omgeving van de plaatsen delict bij de medeverdachte achterop een damesfiets werd staande gehouden en (ii) dat in de fietstas van deze fiets een tas met inbrekerswerktuigen is aangetroffen, zijn onvoldoende om wettig en overtuigend bewijs te leveren dat de verdachte medepleger van (een of meer van) de autodiefstallen is. Het dossier bevat verder geen andere aanwijzingen die zouden kunnen wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten, laat staan in de zin dat hij als medepleger kan worden aangemerkt. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de fiets, die werd bestuurd door de medeverdachte, noch de rugtas die in de fietstas zat van hem waren en het dossier biedt geen aanknopingspunten voor het tegendeel.
De verdachte zal daarom van de ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken.

4.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij arrest van 8 maart 2017 in de zaak met parketnummer 23/001405-16 heeft het gerechtshof te Amsterdam de verdachte ter zake van twee diefstallen met braak en twee pogingen daartoe veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 311 dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op drie jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder bijzondere voorwaarden.
De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 20 juli 2017 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 23 maart 2017 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen.
De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen, omdat de verdachte niet opnieuw is opgeroepen.
De rechtbank overweegt het volgende.
De oproeping betreffende de vordering tot tenuitvoerlegging wegens overtreding van de algemene voorwaarde voor de politierechterzitting van 13 mei 2019 is rechtsgeldig betekend. Blijkens het proces-verbaal van die zitting heeft voorafgaand aan de zitting de raadsman van de verdachte een aanhoudingsverzoek gedaan. Op die terechtzitting is de vordering ten uitvoerlegging voorgedragen en samen met de hoofdzaken (die thans ook aan de orde zijn) door de politierechter verwezen naar de meervoudige kamer.
De rechtbank stelt vast dat een akte van uitreiking van de oproep voor de vordering tot tenuitvoerlegging voor de terechtzitting van 13 september 2021 ontbreekt. De verdachte is evenwel verschenen. De raadsman heeft bij de voordracht door de officier van justitie van de hoofdzaak alsmede van de vordering tot tenuitvoerlegging niet aangegeven dat onbekend was dat de vordering aanhangig was en geen verweer gevoerd tegen behandeling van de vordering tenuitvoerlegging.
De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdediging ermee bekend was dat heden de aan de hoofdzaak gekoppelde vordering tot tenuitvoerlegging aan de orde zou zijn en deze vordering behandeld.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, nu de verdachte zal worden vrijgesproken van de hem thans ten laste gelegde feiten.

5.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van het gerechtshof Amsterdam in de zaak met parketnummer 23/001405-16 opgelegde voorwaardelijke straf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. N.M.L. Rogmans, voorzitter,
mr. P.E. van der Veen en mr. M. Visser, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.E. Lee,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 september 2021.
mrs. Rogmans en Van der Veen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.