Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[eiser]
1.De procedure
- de dagvaarding van 30 augustus 2019
- de conclusie van antwoord
- het tussenvonnis van 8 januari 2020
- het proces-verbaal van comparitie van 24 juni 2020
- de akte van [H]
- de akte van SRLEV.
2.De feiten
3.De vorderingen
4.De beoordeling
Verweer tegen onduidelijke vorderingen
SRLEV deelt bij brief van 16 januari 2017 aan [H] onder meer het volgende mee:
opmerking rechtbank: in de jurisprudentie inmiddels ook wel het Fata Morgana effect genoemd). [H] heeft dat standpunt onderbouwd in productie 5. Ook het gedurende de lange looptijd altijd intredende crash-risico zorgt ervoor dat [H] eindkapitalen zijn voorgespiegeld, die in werkelijkheid nooit gehaald zouden kunnen worden, zelfs als het vermelde gemiddelde fondsrendement zou worden gehaald, aldus [H]. [H] stelt dat SRLEV hem heeft misleid en doet een beroep op de bepalingen van afdeling 3A van boek 6 BW, de afdeling over oneerlijke handelspraktijken.
SRLEV heeft het bestaan van het hiervoor genoemde Fata Morgana effect en het crashrisico niet betwist, maar zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat deze tot het normale beleggersrisico behoorden.
percentages, maar met name de onjuistheid van de voorbeeld
eindkapitalenten grondslag legt.
[H] heeft onderbouwd dat indien het Mixfonds – na aftrek van kosten – in een jaar het rendement van 9% zou behalen, het eindkapitaal desondanks nooit gehaald zou kunnen worden. Daarvoor zou een veel hoger rendement noodzakelijk zijn, omdat vanaf 2017 een steeds groter deel van dat rendement aan premies en kosten moest worden afgedragen. De rechtbank is van oordeel dat zonder nadere uitleg, voorbeeldberekening of duiding van het toegepaste computerprogramma niet valt in te zien dat op deze manier, zelfs bij een van jaar tot jaar gelijkblijvend rendement, het voorgespiegelde eindkapitaal behaald zou kunnen worden.
SRLEV dient over
de eerste drie jaar, dus van vanaf 1 september 1998 tot 1 september 2001 van maand tot maand voor te rekenen wat het effect van de inleg van fl. 400,- per maand was en daarbij uit te gaan van een constant fondsrendement van 9% per jaar.
Datzelfde dient SRLEV te doen over de periode 1 september 2017 tot 1 september 2019. Daarbij kan het bedrag van fl. 114.933,- als uitgangspunt voor de opgebouwde waarde per 1 september 2017 worden genomen, zoals dat in de voorbeeldkapitalen in de offerte wordt genoemd.
5.De beslissing
17 maart 2021voor het nemen van een akte door SRLEV, waarin zij de informatie dient te verstrekken zoals hiervoor is vermeld onder 4.14 en 4.15, waarna de wederpartij op de rol van zes weken daarna een antwoordakte kan nemen,