Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2021 in de zaak tussen
[eiseres], eiseres, beiden wonende te [woonplaats] , hierna tezamen: eisers,
Rechtbank Noord-Holland
Eisers bouwden een woning op erfpachtgrond en betaalden overdrachtsbelasting over de koopsom vermeerderd met de contante waarde van de erfpachtcanon. Zij vorderden vermindering van de maatstaf van heffing met de bouwkosten waarover aan de verkopers omzetbelasting was geheven, stellende dat sprake was van een eerdere verkrijging volgens artikel 13, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr).
De rechtbank stelde vast dat de verkopers eigenaar waren van de grond en de woning in eigen beheer hadden gebouwd, waardoor geen levering of oplevering in de zin van de Wet op de omzetbelasting (Wet OB) had plaatsgevonden. De verkopers waren juridisch en economisch eigenaar, zodat geen eerdere verkrijging kon worden aangenomen.
Verder wees de rechtbank het beroep van eisers op een ruime interpretatie van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën af, omdat de wet en het besluit niet voorzien in volledige voorkoming van cumulatie van omzetbelasting en overdrachtsbelasting in alle gevallen. Ook een beroep op de samenloopvrijstelling werd als te laat ingediend verklaard.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees teruggaaf van overdrachtsbelasting af. Er werden geen proceskosten toegewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep van eisers op vermindering van de maatstaf van heffing overdrachtsbelasting wordt ongegrond verklaard.