Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2021:9338

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2021
Publicatiedatum
22 oktober 2021
Zaaknummer
8712358 \ WM VERZ 20-820
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WAHVArt. 9 WAHVArt. 14 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor vasthouden mobiel tijdens rijden ten onrechte opgelegd wegens Covid-19 staandehoudingsbeleid

Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De kantonrechter oordeelde dat de boete ten onrechte is opgelegd met toepassing van artikel 5 WAHV Pro, omdat geen staandehouding heeft plaatsgevonden. De verbalisant beriep zich op een interne werkinstructie vanwege Covid-19, waardoor geen reële mogelijkheid tot staandehouding zou bestaan. De rechtbank stelde echter dat een staandehouding in de buitenlucht met passende voorzorgsmaatregelen in lijn met RIVM-adviezen wel mogelijk is.

De officier van justitie erkende dat in het begin van de coronaperiode onzekerheid bestond, maar dit betekent niet dat staandehouding in alle gevallen niet mogelijk is. Omdat in dit geval geen concrete omstandigheden waren die staandehouding onveilig maakten, werd de boete vernietigd. Daarnaast werd de officier van justitie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.068,00.

Uitkomst: De boete is vernietigd omdat de staandehouding ten onrechte niet heeft plaatsgevonden vanwege Covid-19 voorzorgsmaatregelen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 8712358 \ WM VERZ 20-820
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 19 februari 2021
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]
gemachtigde : N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl te Zoetermeer.

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 februari 2021. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.
Gemachtigde stelt dat betrokkene ten onrechte niet staande is gehouden. In verband met Covid-19 kan op 1,5 meter afstand staande worden gehouden of met een mondkapje, zoals inmiddels gewoonte is bij veel verbalisanten. Gemachtigde stelt dat de verbalisant zich niet op een werkinstructie kan beroepen nu deze niet consequent wordt toegepast. Bij strafbeschikkingen wordt wel staande gehouden, dat verschil kan niet gevolgd worden en is in strijd met het verbod op willekeur, aldus gemachtigde.
Als zich een reële mogelijkheid heeft voorgedaan tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig waarmee de geconstateerde overtreding is verricht, moet de boete aan die bestuurder worden opgelegd. De boete mag in dat geval niet aan de kentekenhouder van het voertuig worden opgelegd. Blijkens de stukken heeft in dit geval geen staandehouding plaatsgevonden. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt dat geen staandehouding is uitgevoerd vanwege de voorzorgsmaatregelen die beschreven staan in de ‘Werkinstructie verkeershandhaving in verband met het Coronavirus’.
De kantonrechter overweegt dat de verbalisant kennelijk in lijn met zijn/haar interne werkinstructie heeft geoordeeld dat ten gevolge van Covid-19 geen reële mogelijkheid meer bestaat tot staandehouding. Dit kan in algemene zin echter niet worden aangenomen. Het moet er voor worden gehouden dat een staandehouding in de buitenlucht met behulp van passende voorzorgsmaatregelen kan plaatsvinden in lijn met de RIVM-adviezen. Dit laat onverlet dat in een concreet geval een staandehouding in relatie tot het Covid-19 virus niet verantwoord kan zijn. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval echter niet gebleken.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op zichzelf ook niet betwist dat een staandehouding op een verantwoorde wijze kan plaatsvinden. Wel stelt hij zich ter zitting op het standpunt dat er in het begin van de coronaperiode, februari, maart en april 2020, veel onzekerheid en onduidelijkheid was. In de zaken die zich in die periode voordeden was het de voorkeur om niet staande te houden vanwege de gezondheidsrisico’s.
Naar het oordeel van de kantonrechter volgt hieruit echter niet dat een staandehouding in tijden van corona geen reële mogelijkheid meer is.
De boete is dus ten onrechte met toepassing van artikel 5 WAHV Pro opgelegd aan betrokkene als kentekenhouder. Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van officier van justitie zullen worden vernietigd.
De gemachtigde heeft een kostenveroordeling gevraagd wegens een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zal de kantonrechter de officier van justitie veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.068,00. Daarbij is rekening gehouden met vier proceshandelingen (het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie en bij de kantonrechter, de telefonische hoorzitting van de officier van justitie en de zitting bij de kantonrechter), een waarde per punt van € 534,00, en een waardering van het gewicht van de zaak op ‘licht’, met bijbehorende wegingsfactor 0,50.

De uitspraak

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de
boete is opgelegd;
‒ bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.068,00 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
‒ bepaalt dat het bedrag van € 1.068,00 aan de gemachtigde van betrokkene zal worden uitbetaald door het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Voogd, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: