ECLI:NL:RBNHO:2021:9417

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2021
Publicatiedatum
25 oktober 2021
Zaaknummer
8527106 \ WM VERZ 20-455
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WVW 1994Art. 9 WAHVArt. 14 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen boete voor parkeren op trottoir op openbare weg

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het parkeren op het trottoir, wat volgens de Wegenverkeerswet 1994 verboden is. Betrokkene stelde dat het terrein privéterrein was en dat hij toestemming had van de eigenaar om daar te parkeren. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond en betrokkene ging in beroep bij de kantonrechter.

De kantonrechter oordeelde op basis van foto’s en het aanvullend proces-verbaal dat de plek waar de auto stond een voor het openbaar verkeer openstaande weg is in de zin van artikel 1 WVW Pro 1994. De verkeersregels zijn daar van toepassing en kunnen worden gehandhaafd. De kantonrechter stelde dat het terrein niet als privéterrein was afgeschermd en dat de toestemming van de eigenaar geen rechten geeft om de verkeersregels te negeren.

De kantonrechter vond ook dat de plek niet bestemd was om te parkeren en dat de boete terecht was opgelegd. Er waren geen redenen om de boete te matigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete voor parkeren op het trottoir wordt ongegrond verklaard en de boete blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 8527106 \ WM VERZ 20-455
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 19 februari 2021
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 februari 2021. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Op verzoek van de rechtbank heeft betrokkene laten weten dat hij/zij niet naar de zitting wil komen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: niet de rijbaan gebruiken door stil te staan op het trottoir, voetpad, (brom)fietspad of ruiterpad.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.
De officier van justitie heeft een aanvullend proces-verbaal laten opmaken door de verbalisant. In dit aanvullend proces-verbaal is het volgende vermeld:
“(…) In het verweer van betrokkene wordt aangegeven dat het een privéterrein betreft en dat de gemeente dit zo heeft ingericht, het niet voldoet aan de reglement verkeerregels en verkeertekens. En betrokkene toestemming zou hebben van de eigenaar. En dat de gele onderbroken streep niet door loopt op het trottoir. Op de bijgevoegde foto is duidelijk te zien dat het trottoir betreft, er is geen indicatie aanwezig dat het terrein privéterrein is. Het betreft openbare ruimte en hier zijn de verkeersregels en verkeerstekens van toepassing. De gele onderbroken streep betreft het parkeerverbod, dit heeft niets te maken met het trottoir. (…)”
De kantonrechter is, mede gelet op de foto’s, van oordeel dat de plek waar de auto stond een voor het openbaar verkeer openstaande weg in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) betreft. Verkeersregels gelden alleen en kunnen alleen worden gehandhaafd op de openbare weg. Uit de rechtspraak volgt dat het betreffende stukje grond tot die openbare weg behoort zolang dit voor een ieder toegankelijk is en de toegang niet feitelijk en op kenbare wijze is belemmerd. Dat kan bijvoorbeeld door een hek of een slagboom, al dan niet in samenhang met de plaatsing van borden "verboden toegang" (vgl. de arresten van de Hoge Raad van 16 januari 2001, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:HR:2001:AA9494 en van 8 april 1997, LJN ZD0686 gepubliceerd in VR 1998, 2).
Hetgeen is aangevoerd geeft geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd, feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Dit brengt mee dat de bij en krachtens de WVW 1994 geldende geboden en verboden aldaar onverkort gelden en gehandhaafd kunnen worden. Het brengt ook mee dat de betrokkene geen rechten kan ontlenen aan de aan hem verleende toestemming om daar af en toe voor korte tijd te parkeren. De kantonrechter is op basis van de foto’s van oordeel dat de plek waar zijn auto stond niet kan worden aangemerkt als een tot parkeren bestemd weggedeelte. De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

De uitspraak

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: