6.6.Gelet op het onder 6.3. tot en met 6.5. overwogene is het beroep van eiser gegrond.
Periode II: van 1 juni 2017 tot en met 5 januari 2018
7. In deze periode laten de bankafschriften een groot aantal transacties zien die duiden op in- en verkoop van artikelen. De inkoop van artikelen is zodanig dat sprake is van (een indicatie voor) handel. Ook vinden in deze periode stortingen op de rekening van eiser plaats die hij vervolgens gebruikt voor aankoop van goederen. Eiser heeft ook over deze periode geen administratie of boekhouding bijgehouden en ook heeft hij verweerder niet op de hoogte gesteld van zijn handelsactiviteiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat niet is vast te stellen in hoeverre eiser in deze periode in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd. Dit betekent dat verweerder verplicht was de bijstandsuitkering over deze periode van 1 juni 2017 tot en met
5 januari 2018 in te trekken en terug te vorderen. In de niet nader onderbouwde psychische gesteldheid van eiser hoefde verweerder geen aanleiding te zien om op grond van dringende redenen van terugvordering af te zien.
Periode III: van 6 januari 2018 tot en met 3 oktober 2019
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat terecht is uitgegaan van verkopen vanaf
6 januari 2018, omdat op die datum de eerste advertentie op Marktplaats is geplaatst.
9. Uit het door Marktplaats verstrekte overzicht blijkt dat eiser in de periode van
6 januari 2018 tot en met 7 oktober 2019 in totaal 354 advertenties op Marktplaats heeft geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij wel recht op bijstand zou hebben gehad, als hij over deze periode wel aan zijn inlichtingenplicht had voldaan. Eiser heeft van de in- en verkoop geen deugdelijke administratie of boekhouding bijgehouden. De bankafschriften over de periode van 6 januari 2018 tot en met 3 oktober 2019 laten verder een groot aantal transacties zien die duiden op in- en verkoop van goederen en ook zijn er contante bedragen op de bankrekening van eiser gestort. Gelet op de vele transacties bestaat ook achteraf grote onduidelijkheid over de omvang van de met de marktplaatsactiviteiten verworven inkomsten. Gezien deze omstandigheden kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs. Verweerder was dan ook verplicht de bijstandsuitkering over de periode van 6 januari 2018 tot en met 3 oktober 2019 in te trekken en terug te vorderen. In de niet nader onderbouwde psychische gesteldheid van eiser hoefde verweerder geen aanleiding te zien om op grond van dringende redenen van terugvordering af te zien.
10. De rechtbank heeft het beroep van eiser gegrond verklaard. Het bestreden besluit komt voor zover dat ziet op de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 maart 2015 tot en met 31 mei 2017 voor vernietiging in aanmerking.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 4 punten op (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, beide punten met een waarde per punt van € 525,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, beide met een waarde per punt van € 748,-), bij een wegingsfactor 1. In totaal wordt € 2.546,- toegekend. Omdat het beroep gegrond is verklaard, moet verweerder aan eiser het griffierecht van € 48,- vergoeden.