ECLI:NL:RBNHO:2021:9575
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.H. Lauryssen
- A.R. Ten Berge
- J. de Wit
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen intrekking persoonsgebonden budget wegens niet-nakoming verplichtingen niet-ontvankelijk
De zaak betreft het beroep van eiseres tegen het besluit van het Zorgkantoor DSW B.V. om het persoonsgebonden budget (pgb) van een verzekerde per 1 mei 2015 in te trekken wegens het niet nakomen van verplichtingen door de gewaarborgde hulp. De intrekking is gebaseerd op artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling langdurige zorg (Rlz).
Verweerder startte in mei 2017 een controle op de uitvoering van het pgb en concludeerde dat de verzekerde niet adequaat regie voerde en dat de zorgverlener, eiseres, feitelijk het beheer voerde, wat niet is toegestaan. Daarnaast stelde verweerder dat bij de aanvraag niet alle relevante feiten waren gemeld, wat een extra grond voor intrekking vormt. Eiseres betwistte de onderbouwing van het besluit en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zij geen fraude pleegde.
De rechtbank stelt vast dat het geschil zich beperkt tot de intrekking van het pgb en dat er geen terugvorderingsbesluit is genomen. Partijen zijn het eens over de grondslag van de intrekking. Omdat het handelen van de zorgverlener niet relevant is voor de intrekking op grond van artikel 5.20 lid 2 sub b Rlz, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de intrekkingsgrond.
De rechtbank concludeert dat eiseres geen procesbelang heeft bij het beroep omdat zij met het aanvechten van de constateringen over haar zorgverlening geen rechtsgevolg kan bereiken binnen deze procedure. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van het persoonsgebonden budget is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.