Eiser ontving sinds oktober 2019 een bijstandsuitkering en vertrok op 5 maart 2020 naar Marokko met medeweten van zijn klantmanager. Door de coronapandemie werd het luchtverkeer op 14 maart 2020 opgeschort, waardoor eiser langer dan de toegestane vier weken in het buitenland verbleef.
Verweerder trok de bijstandsuitkering per 5 april 2020 in en vorderde € 742,64 terug, stellende dat eiser geen contact had opgenomen en geen bewijs van repatriëring had geleverd. Eiser stelde dat hij met toestemming vertrok, de situatie door corona buiten zijn macht lag en dat hij via zijn trajectbegeleider contact hield.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende rekening hield met de individuele omstandigheden, waaronder het contact via de trajectbegeleider die als schakel fungeerde. Gezien de acute noodsituatie en behoeftige omstandigheden was het intrekken van de uitkering onterecht.
Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Eiser heeft recht op bijstand over de periode tot zijn terugkeer op 11 mei 2020.