Partijen zijn in 2014 gehuwd in gemeenschap van goederen en in 2018 gescheiden. De man vordert de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, met name de toedeling van goud en sieraden uit een gezamenlijke kluis, waarvan hij stelt dat deze een waarde van €26.600 vertegenwoordigen. De vrouw betwist dat al het goud nog aanwezig was op de peildatum en stelt dat een deel al voor het huwelijk aan haar is geschonken.
De rechtbank oordeelt dat het goud en de sieraden die partijen tijdens het huwelijk hebben verkregen deel uitmaken van de gemeenschap, tenzij sprake is van uitsluitingsclausule, wat hier niet is gesteld. De peildatum voor de omvang van de gemeenschap is de datum van het verzoek tot echtscheiding, 30 januari 2018. De man heeft geen bewijs geleverd dat het goud nog aanwezig was op die datum of dat de vrouw het nog onder zich had.
De primaire vordering van de man wordt daarom afgewezen. Subsidiair stelt de rechtbank de wijze van verdeling vast: de sieraden die de vrouw onder zich heeft, worden geacht bij helfte te worden verdeeld, waarbij partijen in overleg kunnen bepalen of zij de sieraden zonder verrekening verdelen, de waarde laten vaststellen en vergoeden, of de sieraden verkopen en de opbrengst delen. Armbanden bestemd voor de zoon worden uitgesloten van de verdeling. Proceskosten worden gecompenseerd.