ECLI:NL:RBNHO:2021:9974
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling exclusief huurrecht bij contractueel medehuurderschap na echtscheiding
Partijen, een man en een vrouw, zijn contractueel medehuurders van een woning die zij sinds 2008 gezamenlijk huren. Na hun echtscheiding in 2016 is in een convenant overeengekomen dat het huurrecht aan de vrouw zou worden toebedeeld, maar het huurcontract is nooit op haar naam gesteld. De vrouw vertrok in 2017 naar Colombia, waar zij sindsdien woont met hun twee minderjarige kinderen.
Beide partijen vorderen exclusief huurrecht van de woning, waarbij de man stelt dat hij belang heeft bij voortzetting van het huurrecht omdat hij in de woning blijft wonen, terwijl de vrouw betoogt dat zij het huurrecht toekomt omdat het convenant dit bepaalt en zij wil terugkeren naar Nederland. De kantonrechter past analoog artikel 7:267 lid 7 BW Pro toe om te bepalen wie het huurrecht exclusief toekomt.
De kantonrechter oordeelt dat het convenant niet is nagekomen en dat het onredelijk is dat de vrouw zich hierop beroept. Gelet op de belangenafweging, waarbij de vrouw reeds lang in het buitenland woont en over alternatieve woonruimte beschikt, en de man in de woning verblijft en de huur betaalt, weegt het belang van de man zwaarder. De vordering van de vrouw tot afgifte van persoonlijke eigendommen wordt afgewezen wegens gebrek aan belang, aangezien de man bereid is deze af te geven.
De kantonrechter bepaalt dat de vrouw vanaf 1 januari 2021 het huurrecht niet langer voortzet en compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De kantonrechter bepaalt dat het huurrecht exclusief aan de man toekomt vanaf 1 januari 2021 en wijst de vordering van de vrouw af.