ECLI:NL:RBNHO:2022:1025

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 januari 2022
Publicatiedatum
9 februari 2022
Zaaknummer
8871124
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieclaim passagiers wegens vluchtvertraging door buitengewone omstandigheden

De passagiers vorderden compensatie van de vervoerder Deutsche Lufthansa AG wegens een vluchtvertraging van bijna 11 uur op hun reis van Pula via Frankfurt naar Amsterdam, waarbij zij hun aansluitende vlucht misten. De vervoerder verweerde zich met het beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk een door de luchtverkeersleiding opgelegde slotrestrictie (vertragingscode 81).

De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de vertraging op de eindbestemming meer dan drie uur bedroeg, wat in principe recht geeft op compensatie volgens Verordening (EG) nr. 261/2004. Echter, de vervoerder had voldoende onderbouwd dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk de ATFM-slotrestrictie opgelegd door de luchtverkeersleiding, waartegen zij geen verzet kon bieden.

Hoewel de passagiers een minimale overstaptijd van 45 minuten hadden, was dit onvoldoende buffer om de vertraging op te vangen. De vervoerder had geen extra buffer ingebouwd, maar ook met een buffer hadden de passagiers de aansluitende vlucht niet gehaald. De vervoerder had de passagiers omgeboekt naar een latere vlucht. De rechtbank oordeelde dat de vervoerder alle redelijke maatregelen had getroffen en wees de vordering af.

De passagiers werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Dit vonnis werd gewezen door kantonrechter S.N. Schipper en uitgesproken op 19 januari 2022.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen wegens buitengewone omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8871124 \ CV EXPL 20-9597
Uitspraakdatum: 19 januari 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[passagier sub 1]

2.
[passagier sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen de passagiers
gemachtigde mr. I.G.B. Maertzdorff
tegen
de buitenlandse vennootschap: Aktiengesellschaft (AG) Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
statutair gevestigd te Keulen (Bondsrepubliek Duitsland) en kantoorhoudende te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. P.C.X. de Leede

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 19 augustus 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Pula Airport (Kroatië) via Frankfurt International Airport (Duitsland) naar Amsterdam-Schiphol Airport (Nederland) op 24 augustus 2018 met vlucht LH 1479 hierna: de vlucht.
2.2.
De passagiers zouden op 24 augustus 2018 om 18:40 uur (lokale tijd) vanuit Pula Airport vertrekken en op vrijdag 24 augustus 2018 om 20:15 uur (lokale tijd) aankomen op Frankfurt International Airport. Vanuit daar zouden de passagiers met vlucht LH 1002 op vrijdag 24 augustus 2018 om 21:00 uur (lokale tijd) verder vliegen naar Amsterdam-Schiphol Airport om daar op vrijdag 24 augustus 2018 om 22:15 uur (lokale tijd) aan te komen.
2.3.
De vlucht is vertraagd uitgevoerd waardoor de passagiers hun aansluitende vlucht van Frankfurt International Airport naar Nederland hebben gemist. Als gevolg daarvan zijn de passagiers omgeboekt naar een andere vlucht.
2.4.
De passagiers zijn 10 uur en 53 minuten later aangekomen op de overeengekomen eindbestemming.
2.5.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.6.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 augustus 2018, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 181,50 dan wel € 90,75 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 november 2018 dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 250,00 per passagier.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering en doet een beroep op buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Daartoe heeft hij, onder meer, aangevoerd dat de vertraging werd veroorzaakt doordat het luchtverkeersbeheer een ATFM (Air Traffic Flow Management) SLOT-restrictie aan de vlucht had opgelegd met vertragingscode 81, waardoor de vlucht met een vertraging van 44 minuten is vertrokken en met een vertraging van 27 minuten is aangekomen te Frankfurt.
4.2.
Tevens betwist de vervoerder de buitengerechtelijke kosten, de wettelijke rente en de nakosten verschuldigd te zijn aan de passagiers.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
Vaststaat dat de passagiers met een vertraging van 10 uur en 53 minuten zijn aangekomen op de eindbestemming Amsterdam-Schiphol Airport, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.
5.3.
De vervoerder heeft aangevoerd dat de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door restricties van de Nederlandse luchtverkeersleiding. Ter onderbouwing heeft de vervoerder het vluchtrapport van de vlucht alsook de door het luchtverkeersbeheer opgelegde Slot Allocation message (SAM) en Slot Revision Messages (SRM) overgelegd (producties 2 en 3 bij conclusie van antwoord). In het vluchtrapport staat als oorzaak van de vertraging van de vlucht vertragingscode 81 vermeld. Deze code staat voor het volgende: “
ATFM due to ATC EN-ROUTE DEMAND/ CAPACITY, standard demand/ capacity problems” Anders dan de passagiers is de kantonrechter van oordeel dat de vervoerder hiermee voldoende heeft onderbouwd dat de vlucht onderworpen was aan restricties.
5.4.
Eveneens is de kantonrechter, anders dan de passagiers, van oordeel dat de opgelegde slotrestrictie als een buitengewone omstandigheid kan worden aangemerkt. De vervoerder had immers niet de mogelijkheid om eerder te vertrekken doordat de luchtverkeersleiding een gewijzigde vertrektijd voor de vlucht heeft opgelegd. Een luchtvaartmaatschappij is altijd verplicht om een nieuw slot op te volgen. Niet is gebleken dat de vervoerder zelf om een nieuwe slot heeft verzocht. Het besluit van de luchtverkeersleiding is in het onderhavige geval dan ook aan te merken als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. De vertrekvertraging van de vlucht voor de duur van 44 minuten is dan ook ontstaan als gevolg van buitengewone omstandigheden.
5.5.
De passagiers stellen dat de opgelegde CTOT’s niet hebben geleid tot een langdurige vertraging, maar deze stelling kan hen niet baten nu de vertraging op de eindbestemming leidend is. De uiteindelijke vertraging van de passagier op de eindbestemming bedroeg meer dan drie uur. Deze vertraging is het directe gevolg geweest van de vertraagde uitvoering van de vlucht en daarmee ook het gevolg van buitengewone omstandigheden. De passagiers hebben immers hierdoor de aansluitende vlucht naar Amsterdam-Schiphol Airport gemist. Gelet op het voorgaande kan de vertraging van de vlucht als langdurig worden aangemerkt.
5.6.
De volgende vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken. Tussen de twee aansluitende vluchten was een overstaptijd van 45 minuten gepland. De minimale connectietijd tussen internationale vluchten in Frankfurt bedraagt tevens 45 minuten. De vervoerder heeft dan ook geen buffer aangehouden om eventuele vertragingen op te vangen, hetgeen onvoldoende is aangezien een buffer van 20 minuten redelijk wordt geacht. Dit neemt niet weg dat de passagiers te Frankfurt een aankomstvertraging van 27 minuten hadden en dat zij, ook al zou de vervoerde voldoende reservetijd in acht hebben genomen, de aansluitende vlucht niet meer hadden kunnen halen. De vervoerder heeft de passagiers omgeboekt naar een andere vlucht. In de gegeven omstandigheden kon er niet meer van de vervoerder worden verwacht. De vordering van de passagiers tot betaling van compensatie wegens vertraging van de vlucht zal worden afgewezen.
5.7.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat deze ongelijk krijgen. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 248,00 en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 62,00 voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening indien voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt.
6.3.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter