Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan en hebben een minderjarig kind. Zij verzoeken gezamenlijk ontbinding van het partnerschap wegens duurzame ontwrichting. De rechtbank wijst het verzoek toe ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, omdat partijen geen overeenstemming bereiken over de voorzieningen voor het kind.
De vrouw verzoekt vervangende toestemming om met het kind naar Friesland te verhuizen, waar zij een sociale en familiale omgeving heeft en een woning huurt. De man verzet zich hiertegen en benadrukt het belang van het kind bij regelmatig contact met beide ouders, wat door de afstand naar Friesland wordt belemmerd.
De rechtbank weegt het belang van het kind en de man zwaarder dan dat van de vrouw en wijst het verzoek tot verhuizing af. De hoofdverblijfplaats van het kind wordt bij de vrouw vastgesteld onder de voorwaarde dat zij binnen zes maanden terugverhuist naar de regio van de man. Tevens wordt een zorgregeling vastgesteld die een ruime omgang van het kind met de man waarborgt, waarbij de vrouw het halen en brengen verzorgt zolang zij niet in Noord-Holland woont.