De passagier had een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Kaliningrad naar Amsterdam via Warschau, die werd geannuleerd. Zij vorderde compensatie op grond van EU-verordening 261/2004. De passagier had haar vorderingsrecht aan AirHelp gecedeerd en stelde dat dit vorderingsrecht weer aan haar was teruggecedeerd via een Heroverdracht-formulier.
De vervoerder betwistte de ontvankelijkheid van de passagier omdat het Heroverdracht-formulier niet rechtsgeldig was ondertekend door AirHelp, waardoor de retrocessie niet geldig was. De kantonrechter oordeelde dat een rechtsgeldige cessie vereist dat zowel de cedent als de cessionaris ondertekenen. Het ontbreken van de handtekening van AirHelp maakt het formulier niet rechtsgeldig.
De passagier bood ter zitting nog bewijs aan, maar dit werd te laat geacht en gepasseerd. De kantonrechter concludeerde dat het vorderingsrecht nog bij AirHelp ligt en dat de passagier daarom niet-ontvankelijk is in haar vordering. De proceskosten worden aan de passagier opgelegd.