In deze civiele procedure bij de rechtbank Noord-Holland stond een geschil tussen eiser en Solulever B.V. centraal, waarbij eiser tevens een incident tot voeging en een bevoegdheidsincident had ingesteld. Na een tussenvonnis waarin de rechtbank aangaf de zaak mogelijk naar de kantonrechter te verwijzen, trok eiser de hoofdzaak in en verzocht om compensatie van de proceskosten.
Solulever c.s. stelde dat de procedure nodeloos was aangevangen en dat eiser gehouden was tot vergoeding van de volledige proceskosten, mede omdat de kantonrechter reeds had geadviseerd de zaak in te trekken en er onwaarheden waren gesteld. De rechtbank oordeelde dat er geen grond meer was voor verwijzing naar de kantonrechter en compenseerde de proceskosten in het incident, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
In de hoofdzaak werd vastgesteld dat eiser door het aanhangig maken van twee procedures over hetzelfde feitencomplex zijn kansen wilde spreiden en dat het aanbrengen van de zaak bij de rechtbank nodeloos was. Daarom werd eiser veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan Solulever c.s. op basis van het liquidatietarief. De proceskosten werden begroot op €3.558,00 en de veroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.