ECLI:NL:RBNHO:2022:1080

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 februari 2022
Publicatiedatum
10 februari 2022
Zaaknummer
8904243
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatieplicht luchtvaartmaatschappij wegens vertraging vlucht naar eindbestemming

AirHelp vordert namens een passagier compensatie van de vervoerder Turk Havayollari A.O. wegens een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming Malta Luqa Airport. De passagier miste de aansluitende vlucht door een vertraagde eerste vlucht van Amsterdam naar Istanbul. De vervoerder betwist de vordering en beroept zich op buitengewone omstandigheden, namelijk slotrestricties opgelegd door Eurocontrol.

De kantonrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat de passagier recht heeft op compensatie tenzij de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die niet vermeden konden worden. Uit het vluchtrapport blijkt een vertraging van slechts 12 minuten bij vertrek, onvoldoende om de aansluitende vlucht te missen indien een redelijke buffer van 20 minuten wordt gehanteerd.

De rechtbank oordeelt dat de uiteindelijke vertraging niet het gevolg is van buitengewone omstandigheden. De vordering tot compensatie van €400 wordt toegewezen, inclusief wettelijke rente vanaf de datum van de vlucht. Tevens worden de proceskosten aan de vervoerder opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van €400 compensatie wegens vertraging op de eindbestemming.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8904243 \ CV EXPL 20-10138
Uitspraakdatum: 2 februari 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
AirHelp Limited
statutair gevestigd te Hong Kong (China)
eiseres
hierna te noemen AirHelp
gemachtigde mr. D.E. Lof
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Turk Havayollari A.O.
statutair gevestigd te Ankara (Turkije) en mede kantoorhoudende te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. H. Bulut-Yazir

1.Het procesverloop

1.1.
AirHelp heeft bij dagvaarding van 13 november 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
AirHelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
[De passagier] (hierna: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Istanbul Havalimani Airport (Istanbul) naar Malta Luqa Airport (Malta) op 15 mei 2019 met vluchtnummer TK 1952, hierna: de vlucht.
2.2.
De vlucht van Amsterdam-Schiphol Airport naar Istanbul Havalimani Airport is vertraagd uitgevoerd waardoor de passagier de aansluitende vlucht naar Malta Luqa Airport heeft gemist. De passagier is omgeboekt naar een andere vlucht en is hiermee meer dan drie uur later op haar eindbestemming aangekomen.
2.3.
De passagier heeft de vordering gecedeerd aan AirHelp.
2.4.
AirHelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.5.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
AirHelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 400,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
AirHelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 400,00.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering en doet een beroep op buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Daartoe heeft hij, onder meer, aangevoerd dat de vlucht vertraagd is uitgevoerd doordat de voorafgaande vlucht vertraagd is uitgevoerd.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
Niet in het geschil is dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen, zodat er in beginsel een compensatieplicht geldt voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.
5.3.
De vervoerder doet een beroep op (doorwerking van) buitengewone omstandigheden en heeft daartoe aangevoerd dat de vertraging werd veroorzaakt doordat de voorafgaande vlucht, vlucht TK 1951, vertraagd is uitgevoerd. Vlucht TK 1951 heeft vanuit Eurocontrol twee slotberichten opgelegd gekregen. De slotrestricties worden opgelegd om het luchtverkeer veilig te laten verlopen. Luchtvaartmaatschappijen dienen zich te houden aan de verplichtingen die door de luchtverkeersleiding worden opgelegd, aldus de vervoerder. Voorts voert de vervoerder aan dat hij geen enkele invloed heeft gehad op de slotrestricties en hierdoor genoodzaakt was om de vlucht vertraagd uit te voeren.
5.4.
De kantonrechter dient te beoordelen of de vertraging van de passagier het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. De vervoerder verwijst, ter onderbouwing van de buitengewone omstandigheden, naar het vluchtrapport van de vlucht in kwestie. Vooropgesteld dient te worden dat er geen vluchtnummer op het vluchtrapport is vermeld. Los van de vraag of dit rapport daadwerkelijk het vluchtrapport is van de onderhavige vlucht, blijkt dat de vlucht, vanwege de vertraging van de voorafgaande vlucht, met een vertraging van 12 minuten is vertrokken. Gesteld noch gebleken is dat de vertraging verder zou zijn opgelopen tijdens de vlucht dan wel wat de reden hiervan is geweest. Met een geringe vertraging van slechts 12 minuten houdt dit in dat de aangehouden buffer om de aansluitende vlucht te halen blijkbaar onvoldoende was. De kantonrechter acht een buffer van minimaal 20 minuten noodzakelijk. Met een vertraging van 12 minuten en de in acht te nemen redelijke buffer van 20 minuten, had de passagier de aansluitende vlucht naar Malta Luqa Airport kunnen halen. Hieruit volgt dan ook dat de uiteindelijke vertraging van de passagier op de eindbestemming niet het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. De vordering tot betaling van de compensatie op grond van artikel 7 van Pro de Verordening zal om die reden worden toegewezen.
5.5.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.
5.6.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat hij ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan AirHelp van € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 400,00 vanaf 15 mei 2019 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
6.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van AirHelp tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 100,89;
griffierecht € 124,00:
salaris gemachtigde € 150,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter