ECLI:NL:RBNHO:2022:10802
Rechtbank Noord-Holland
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs geldlening versus schenking
Eiseres vorderde betaling van een bedrag van €1.312,00 dat zij op 7 mei 2021 aan gedaagde had overgemaakt, stellende dat dit een geldlening betrof. De kantonrechter stelde eiseres in de gelegenheid bewijs te leveren dat het om een lening ging.
Eiseres liet één getuige horen en overhandigde een schriftelijke verklaring van een tweede getuige. De eerste getuige verklaarde dat er een telefoongesprek was waarin terugbetaling van €50 per maand werd afgesproken, maar deze verklaring was tegenstrijdig met de stelling van eiseres dat er geen afspraken over terugbetaling waren gemaakt. De tweede getuige verklaarde dat er op 8 juni 2021 al over aflossing was gesproken, wat eveneens in strijd was met de stelling dat terugbetaling pas later werd opgeëist. Bovendien was het bedrag in die verklaring hoger dan het werkelijke bedrag.
De kantonrechter achtte de getuigenverklaringen weinig geloofwaardig en concludeerde dat eiseres niet had bewezen dat het bedrag een lening betrof. Daarom werd de vordering afgewezen en werd eiseres veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan gedaagde.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van €1.312,00 wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat het een geldlening betrof.