ECLI:NL:RBNHO:2022:10802

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 december 2022
Publicatiedatum
6 december 2022
Zaaknummer
9587185
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs geldlening versus schenking

Eiseres vorderde betaling van een bedrag van €1.312,00 dat zij op 7 mei 2021 aan gedaagde had overgemaakt, stellende dat dit een geldlening betrof. De kantonrechter stelde eiseres in de gelegenheid bewijs te leveren dat het om een lening ging.

Eiseres liet één getuige horen en overhandigde een schriftelijke verklaring van een tweede getuige. De eerste getuige verklaarde dat er een telefoongesprek was waarin terugbetaling van €50 per maand werd afgesproken, maar deze verklaring was tegenstrijdig met de stelling van eiseres dat er geen afspraken over terugbetaling waren gemaakt. De tweede getuige verklaarde dat er op 8 juni 2021 al over aflossing was gesproken, wat eveneens in strijd was met de stelling dat terugbetaling pas later werd opgeëist. Bovendien was het bedrag in die verklaring hoger dan het werkelijke bedrag.

De kantonrechter achtte de getuigenverklaringen weinig geloofwaardig en concludeerde dat eiseres niet had bewezen dat het bedrag een lening betrof. Daarom werd de vordering afgewezen en werd eiseres veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan gedaagde.

Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van €1.312,00 wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat het een geldlening betrof.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9587185 CV EXPL 21-8457
Uitspraakdatum: 28 december 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [plaats]
eiseres
verder te noemen: [eiseres]
procederend in persoon
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. S. Faber

1.Het verdere procesverloop

1.1.
[eiseres] heeft in het kader van het haar bij tussenvonnis van 15 juni 2022 opgedragen bewijs op 10 november 2022 één getuige doen horen. De griffier heeft proces-verbaal opgemaakt van wat de getuige heeft verklaard. De tweede getuige is (om medische redenen) niet verschenen. [eiseres] heeft een schriftelijke verklaring van deze tweede getuige overgelegd, die aan het proces-verbaal van de zitting is gehecht.
1.2.
[gedaagde] heeft aangegeven geen contra-enquête te willen houden. [gedaagde] heeft bij akte uitlating getuigenverhoor gereageerd op het getuigenverhoor en de overgelegde schriftelijke verklaring. [eiseres] heeft niet meer gereageerd.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist.
[eiseres] is daarbij in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat het op 7 mei 2021 aan [gedaagde] overgemaakte bedrag van € 1.312,00 een geldlening betrof.
2.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter is [eiseres] niet geslaagd in dat bewijs. Het volgende is daartoe redengevend.
2.3.
De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij aanwezig was bij een telefoongesprek tussen [eiseres] en [gedaagde]. De telefoon stond op de speaker, aldus [getuige 1]. [gedaagde] zou in dat gesprek hebben aangegeven dat zij gebruik wilde maken van het aanbod van [eiseres] om geld te lenen voor een belastingschuld, waarbij zou zijn afgesproken om € 50,00 per maand terug te betalen vanaf de verjaardag van de zoon van [gedaagde], te weten op 30 juli. De getuige wist niet op welke datum dit telefoongesprek heeft plaatsgevonden. De verklaring van de getuige dat er zou zijn afgesproken dat [gedaagde] € 50,00 per maand zou terugbetalen staat haaks op de stelling in de dagvaarding dat omtrent de terugbetaling door partijen géén afspraken zijn gemaakt en dat [eiseres] het bedrag voor het eerst op 30 juli 2021, althans op 19 augustus 2021, heeft opgeëist. Dit maakt de verklaring van [getuige 1] naar het oordeel van de kantonrechter weinig geloofwaardig.
2.4.
De tweede getuige, [getuige 2], stelt in haar schriftelijke verklaring dat zij op 8 juni 2021 op een verjaardagsfeest [eiseres] tegen [gedaagde] had horen zeggen: “Maak je geen zorgen meis je hebt van mij die 1350 geleend en geef mij gewoon elke maand 50 euro terug en mocht je het een maand niet kunnen missen doe ik daar niet moeilijk over en betaal je die maand erna. Omdat ik er precies naast zat mengde ik mij in het gesprek waarin [gedaagde] aangaf dat zij 1350 euro had geleend van [eiseres] en dat zij dit het liefst zo snel mogelijk terug wilde betalen, maar blij was dat zij hierdoor haar belastingschuld kon afbetalen.” Ook deze verklaring staat haaks op de stelling in de dagvaarding dat er omtrent terugbetaling door partijen geen afspraken zijn gemaakt en dat [eiseres] het bedrag voor het eerst op 30 juli 2021, althans op 19 augustus 2021, heeft opgeëist. Uitgaande van hetgeen eiseres in de dagvaarding heeft gesteld, kan het niet waar zijn dat al op 8 juni 2021 over aflossing is gesproken. Daarover waren immers geen afspraken gemaakt. Bovendien gaat het niet om een bedrag van € 1.350, maar van € 1.312,00. Naar het oordeel van de kantonrechter is ook de verklaring van [getuige 2] weinig geloofwaardig.
2.5.
Nu [eiseres] niet geslaagd is in het opgedragen bewijs, is de conclusie dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] zal afwijzen.
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres], omdat zij ongelijk krijgt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 561,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde].
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter