De zaak betreft een vordering van AirHelp tegen een vervoerder naar buitenlands recht wegens vertraging van een vlucht van Amsterdam via Dubai naar Singapore op 21 oktober 2019. De passagier arriveerde met zes uur vertraging op de eindbestemming, waardoor compensatie werd gevorderd op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder kwam in verzet tegen het verstekvonnis en stelde dat AirHelp niet voldeed aan de stelplicht en dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, waaronder een IT-probleem en beslissingen van de luchtverkeersleiding. De kantonrechter oordeelde dat AirHelp voldoende had gesteld en dat de vervoerder onvoldoende had onderbouwd dat de IT-storing een buitengewone omstandigheid was.
Verder werd vastgesteld dat de passagier de aansluitende vlucht ook zonder de buitengewone omstandigheden zou hebben gemist, waardoor de uiteindelijke vertraging niet aan buitengewone omstandigheden kan worden toegerekend. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de datum van de oorspronkelijke aankomst.
De kantonrechter verklaarde het verzet ongegrond, bevestigde het verstekvonnis en veroordeelde de vervoerder tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.