ECLI:NL:RBNHO:2022:10866

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 november 2022
Publicatiedatum
6 december 2022
Zaaknummer
9689497 \ CV EXPL 22-999
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 6:74 BWArt. 6:83 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verstekvonnis compensatie vertraagde vlucht op grond van EU-verordening

De zaak betreft een vordering van AirHelp tegen een vervoerder naar buitenlands recht wegens vertraging van een vlucht van Amsterdam via Dubai naar Singapore op 21 oktober 2019. De passagier arriveerde met zes uur vertraging op de eindbestemming, waardoor compensatie werd gevorderd op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.

De vervoerder kwam in verzet tegen het verstekvonnis en stelde dat AirHelp niet voldeed aan de stelplicht en dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, waaronder een IT-probleem en beslissingen van de luchtverkeersleiding. De kantonrechter oordeelde dat AirHelp voldoende had gesteld en dat de vervoerder onvoldoende had onderbouwd dat de IT-storing een buitengewone omstandigheid was.

Verder werd vastgesteld dat de passagier de aansluitende vlucht ook zonder de buitengewone omstandigheden zou hebben gemist, waardoor de uiteindelijke vertraging niet aan buitengewone omstandigheden kan worden toegerekend. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de datum van de oorspronkelijke aankomst.

De kantonrechter verklaarde het verzet ongegrond, bevestigde het verstekvonnis en veroordeelde de vervoerder tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis bevestigd, waarbij de vervoerder veroordeeld wordt tot betaling van compensatie, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9689497 \ CV EXPL 22-999 (RH)
Uitspraakdatum: 16 november 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Emirates
gevestigd te Dubai (Verenigde Arabische Emiraten)
eiser in het verzet
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
AirHelp Limited
gevestigd te Hong Kong (China)
gedaagde in het verzet
hierna te noemen: AirHelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof (Lof Legal Services)

1.Het procesverloop

1.1.
AirHelp heeft de vervoerder gedagvaard om te verschijnen ten overstaan van de kantonrechter op de zitting van 17 november 2021. De vervoerder is niet verschenen, waarna de vervoerder bij verstekvonnis van 1 december 2021 is veroordeeld. Bij dagvaarding van 4 januari 2022 is de vervoerder in verzet gekomen tegen dat verstekvonnis.
1.2.
Vervolgens heeft de vervoerder een akte overgelegd, houdende overlegging producties. AirHelp heeft schriftelijk op de verzetdagvaarding en de akte gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
[betrokkene] (hierna: de passagier) heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier op 21 oktober 2019 diende te vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport, via Dubai Airport (Dubai), naar Changi International Airport (Singapore).
2.2.
De vlucht van Amsterdam naar Dubai, met vluchtnummer EA146 (hierna: de vlucht), heeft vertraging opgelopen, waardoor de passagier de aansluitende vlucht naar de eindbestemming heeft gemist. De passagier is omgeboekt naar een alternatieve vlucht en met een vertraging van 6 uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagier heeft de gepretendeerde vordering middels cessie overgedragen aan AirHelp.
2.4.
AirHelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.5.
De vervoerder is door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde.

3.De vordering

3.1.
AirHelp vordert bij inleidende dagvaarding dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag de datum van de vlucht tot aan de dag van betaling;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
AirHelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de compensatie te betalen conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00.
3.3.
De vervoerder vordert, in de verzetdagvaarding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verstekvonnis van 1 december 2021 te vernietigen, AirHelp te veroordelen om al hetgeen de vervoerder ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan aan de vervoerder terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag der algehele voldoening, AirHelp niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen althans deze vorderingen af te wijzen en AirHelp te veroordelen in de proceskosten.
3.4.
De vervoerder legt aan de vordering ten grondslag dat AirHelp niet heeft voldaan aan de stelplicht en de substantiëringsplicht. Subsidiair voert de vervoerder aan dat de vertraging van de vlucht is ontstaan door buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Nu AirHelp volgens de vervoerder heeft nagelaten om op zijn minst aan te tonen dat de Verordening van toepassing is, door aan te tonen dat de passagier zich conform de voorwaarden van artikel 3 van Pro de Verordening bij de vervoerder heeft gemeld en wat de geplande en de daadwerkelijke aankomsttijd op de eindbestemming is geweest, heeft AirHelp onvoldoende concrete feiten gesteld. Het verstekvonnis dient dan ook te worden vernietigd, aldus de vervoerder. De kantonrechter oordeelt dat de substantiëringsplicht niet inhoudt dat AirHelp de exacte aankomsttijd op de eindbestemming en de manier waarop de passagier daarheen is vervoerd moet vermelden, maar dat AirHelp de bij hem bekende verweren van de vervoerder en de gronden daarvoor dienen te vermelden, zodat het geschil reeds in de dagvaarding zo volledig mogelijk wordt weergegeven. Gesteld noch gebleken is dat het verweer van de vervoerder reeds bij de AirHelp bekend was. De kantonrechter zal dan ook aan dit verweer van de vervoerder voorbijgaan. Ten aanzien van het niet voldoen aan de stelplicht, wordt opgemerkt dat AirHelp in de conclusie van antwoord in oppositie heeft gesteld dat de passagier met een vertraging van 6 uur op de eindbestemming is aangekomen, hetgeen de vervoerder niet heeft betwist. Hiermee is het gebrek in de stelplicht van AirHelp hersteld. De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder hierdoor niet in zijn procesbelang is geschaad, nu de vervoerder de gelegenheid had hierop bij de conclusie van repliek in oppositie te reageren en hij ook al in de verzetdagvaarding inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering, welk verweer niet afhankelijk is van de precieze aankomsttijd van de passagier op de eindbestemming.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat de passagier met meer dan drie uur vertraging is aangekomen op de overeenkomen eindbestemming Bengaluru International Airport, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.
4.4.
De vervoerder voert aan dat de vertraging tweedelig is, waarbij de vertraging voor de duur van 14 minuten is ontstaan doordat het toestel dat de vlucht uit zou voeren heeft gewacht op toestemming van de luchtverkeersleiding om van de gate te mogen vertrekken en voor de duur van 26 minuten als gevolg van een IT probleem in de systemen van de luchthaven. Een storing in de faciliteiten van een luchthaven en besluiten van de luchtverkeersleiding zijn volgens de vervoerder niet inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van de vervoerder, nu hij daarop – gelet op de aard en oorsprong ervan - geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.
4.5.
Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de vervoerder het vluchtrapport van de vlucht overgelegd. Daaruit volgt volgens de vervoerder dat 26 minuten vertraging is veroorzaakt door “Airport IT system failure or limitation”. Daarnaast heeft de vervoerder in de conclusie van repliek in oppositie verwezen naar een schermafdruk van het zogenaamde ‘Movement Message’ van de vlucht overgelegd. Uit de regel “FD EK0146/21OKT.A6EBO.AMS” uit dit bericht volgt dat de vlucht in kwestie (EK146) op 21 oktober is uitgevoerd met toestel A6EBO, aldus de vervoerder. Uit de regel “DL/AFI/ATC/0026/0014” volgt dat het toestel is vertrokken met een vertraging van 40 minuten als gevolg van AFI (26 minuten), waarbij “AF” staat voor “Airport Facilities, parking stands, ramp congestion, buildings, gate limitations” en de “I” staat voor een IT storing, en ATC (14 minuten), waarbij “ATC” staat voor Air Traffic Control, aldus nog steeds de vervoerder.
4.6.
AirHelp is niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op het screenshot zoals de vervoerder dat in de conclusie van repliek in oppositie heeft opgenomen. De kantonrechter ziet geen aanleiding AirHelp daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.7.
Volgens AirHelp heeft de vertraging van 26 minuten geen betrekking op een IT probleem in de systemen van de luchthaven, aangezien hij navraag heeft gedaan bij de luchtverkeersleiding Nederland en op internet heeft gezocht naar informatie over een IT probleem bij de luchthaven op die specifieke dag. Bij niets of niemand bleek iets bekend over deze vermeende storing, aldus AirHelp. Daarnaast heeft de vervoerder zijn verweer ten aanzien van dit deel van de vertraging slechts onderbouwd met een door de vervoerder zelf opgesteld document en niet met een – zoals te doen gebruikelijk – verklaring van de luchtverkeersleiding, aldus nog steeds AirHelp.
4.8.
De kantonrechter komt, evenals de vervoerder, tot de conclusie dat AirHelp niet heeft betwist dat de vertraging voor de duur van 14 minuten als gevolg van beslissingen van de luchtverkeersleiding dient te worden beschouwd als een buitengewone omstandigheid, zodat dit vast staat. Ten aanzien van de vertraging van 26 minuten heeft de vervoerder echter naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aangetoond dat sprake was van een IT probleem op de luchthaven van Schiphol, nu slechts een gedeelte van de ‘Movement Message’ middels een schermafdruk is overgelegd. Daarnaast is het voor de kantonrechter niet duidelijk waar de schermafdruk van de ‘Movement Message’ van afkomstig is. Dit is door de vervoerder niet nader gespecificeerd. Uit het vluchtrapport volgt dat sprake was van een “Airport IT system failure or limitation”. De kantonrechter acht dit echter onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van een IT probleem. Gelet op de betwisting door AirHelp had het op de weg van de vervoerder gelegen om het “IT-probleem in de systemen van de luchthaven” nader te onderbouwen. Nu de vervoerder dit heeft nagelaten, oordeelt de kantonrechter dan ook dat onvoldoende is komen vast te staan dat de vertraging voor de duur van 26 minuten is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid.
4.9.
Nu sprake is van een vertraging die gedeeltelijk, voor de duur van 14 minuten, is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden, dient te worden vastgesteld in hoeverre de passagier de aansluitende vlucht zou hebben gehaald zonder de buitengewone omstandigheid. Vast staat dat de geplande aankomsttijd van de vlucht om 20:15 uur (lokale tijd) was. De passagier is om 20:49 uur (lokale tijd) aangekomen te Dubai met een aankomstvertraging van 34 minuten en de aansluitende vlucht naar Singapore is om 21:15 uur (lokale tijd) vertrokken. Hieruit volgt dat tijdens de vlucht 4 minuten van de vertrekvertraging van de vlucht is ingehaald. Zonder de buitengewone omstandigheid van 14 minuten zou de onderhavige vlucht om 20:35 uur (lokale tijd) dan wel om 20:41 uur (lokale tijd), dus met een vertraging van 20 minuten respectievelijk 26 minuten, te Dubai arriveren. De minimum overstaptijd te Dubai bedraagt 60 minuten. Indien er geen buitengewone omstandigheden waren opgetreden, dan zou de passagier de aansluitende vlucht evengoed hebben gemist. Hieruit volgt dan ook dat de uiteindelijke vertraging van de passagier niet het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.
4.10.
Gelet op het bovenstaande komt de kantonrechter niet meer toe aan de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagier te voorkomen dan wel te beperken.
4.11.
Ten aanzien van de reeds bij verstekvonnis toegewezen wettelijke rente wordt het volgende overwogen. Anders dan de vervoerder is de kantonrechter van oordeel dat de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar is met ingang van de datum waarop de passagier schade heeft geleden. Deze schade wordt zowel geleden door passagiers van geannuleerde vluchten als door passagiers van vertraagde vluchten, indien de tijd om hen naar hun bestemming te vervoeren langer duurt dan oorspronkelijk door de luchtvaartmaatschappij is vastgesteld (Sturgeon-arrest van het Hof van 19 november 2009 in de gevoegde zaken C‑402/07 en C-432/07). Zoals de vervoerder heeft aangevoerd, heeft het Hof in het Nelson-arrest van 23 oktober 2012 (C581/10) overwogen dat met een vertraagde vlucht gepaard gaand tijdverlies niet als “schade voortvloeiend uit vertraging” in de zin van artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal kan worden aangemerkt en daarmee niet binnen de werkingssfeer van artikel 29 van Pro dat Verdrag kan vallen. Dat laat echter onverlet dat sprake kan zijn van schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW). De compensatie betreft een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade als bedoeld in artikel 6:74 lid 1 BW Pro. Deze schade is gelet op artikel 6:83 sub b BW Pro terstond opeisbaar. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente is daarom in het verstekvonnis terecht toegewezen vanaf 21 oktober 2019, zijnde de datum waarop de vlucht op de eindbestemming had moeten aankomen.
4.12.
De kantonrechter concludeert dan ook dat het verzet ongegrond is en dat het verstekvonnis zal worden bevestigd.
4.13.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart het verzet ongegrond en bevestigt het verstekvonnis van deze rechtbank van 1 december 2021 met zaaknummer 9505079 \ CV EXPL 21-7138;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor AirHelp worden vastgesteld op € 124,00 aan salaris van de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter