ECLI:NL:RBNHO:2022:11024

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 november 2022
Publicatiedatum
9 december 2022
Zaaknummer
8784320 \ CV EXPL 20-8178
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatievordering passagiers wegens buitengewone omstandigheid ATFM-beperkingen

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten met Deutsche Lufthansa A.G. voor een vlucht van Amsterdam via München naar Beijing op 16 juli 2018. Door vertraging van de eerste vlucht misten zij de aansluitende vlucht, waardoor zij met meer dan 12 uur vertraging aankwamen op de eindbestemming. Zij vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.

De vervoerder verweerde zich met het verweer dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk ATFM-beperkingen opgelegd door de luchtverkeersleiding, die niet te vermijden waren ondanks redelijke maatregelen. De kantonrechter stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de vertraging meer dan drie uur bedroeg, waardoor compensatie in beginsel verschuldigd is.

Uit het bewijs, waaronder vluchtrapporten en slot history, bleek dat de vertraging van 42 minuten het gevolg was van CTOT's opgelegd wegens vertragingscode 81, een buitengewone omstandigheid. De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder voldoende had aangetoond dat de vertraging niet te vermijden was en dat de passagiers adequaat waren omgeboekt naar de eerst mogelijke alternatieve vlucht. De vordering tot compensatie werd daarom afgewezen en de passagiers werden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen wegens buitengewone omstandigheid en voldoende redelijke maatregelen door vervoerder.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8784320 \ CV EXPL 20-8178 (RH)
Uitspraakdatum: 30 november 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1],

2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa A.G.
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mr. E.A. Pluijm en mr. L.E. Schalk (Russell Advocaten)

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 14 juli 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers op 16 juli 2018 diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via München Franz Josef Airport, München (Duitsland), naar Capital Airport, Beijing (China).
2.2.
De vlucht van Amsterdam naar München, met vluchtnummer LH2307 (hierna: de vlucht), heeft vertraging opgelopen, waardoor de passagiers de aansluitende vlucht naar Beijing hebben gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar alternatieve vluchten en zijn daarmee met een vertraging van 12 uur en 13 minuten aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juli 2018, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 181,50, dan wel € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming te Beijing, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Dit artikel dient volgens het Hof restrictief te worden uitgelegd omdat het gaat om een afwijking van het beginsel dat passagiers recht hebben op compensatie (Walletin-Hermann C-549/07).
5.3.
De vraag die thans voorligt is of de vervoerder met de door hem overgelegde producties en zijn toelichting daarop, voldoende heeft aangetoond dat de langdurige vertraging van de passagiers op de eindbestemming het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die hij niet had kunnen vermijden.
5.4.
De vervoerder voert aan dat de onderhavige vlucht is vertraagd ten gevolge van ATFM-beperkingen. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de vervoerder onder meer het vluchtrapport, het SAM-bericht en de SRM-berichten van de vlucht overgelegd. Uit het SAM-bericht volgt dat de luchtverkeersleiding twee uur voor de geplande vertrektijd van de vlucht, (te weten 15:00 uur UTC), een nieuwe
“Calculated Take Off Time”(hierna: CTOT) aan de vlucht heeft opgelegd. Daarna heeft de vervoerder middels SRM-berichten verschillende keren nieuwe CTOT’s ontvangen, aldus de vervoerder. Volgens de vervoerder is de vlucht uiteindelijk om 15:42 uur (UTC), dus met een vertrekvertraging van 42 minuten, van de gate vertrokken. De vertraging van de vlucht is volgens de vervoerder in de eerste plaats ontstaan wegens de ATFM-beperkingen met vertragingscode 81, hetgeen volgens de door de vervoerder overgelegde “Standard IATA Delay Code” staat voor: “
ATFM DUE TO ATC EN-ROUTE DEMAND/CAPACITY, standard demand/capacity problems”. De vervoerder voert aan dat hij geen invloed heeft op het feit dat een beperking aan de vlucht wordt opgelegd, noch op de reden waarom deze wordt opgelegd, noch op de duur ervan. Volgens de vervoerder is hij verplicht deze door de luchtverkeersleiding opgelegde CTOT‘s in acht te nemen.
5.5.
De passagiers betwisten dat de vlucht is vertraagd ten gevolge van CTOT’s die zijn opgelegd vanwege code 81 nu deze vertragingscode 81 niet is opgenomen in het vluchtrapport. De kantonrechter oordeelt echter dat uit de ‘slot history’ van de vlucht duidelijk blijkt dat de luchtverkeersleiding meerdere malen een CTOT heeft opgelegd aan de vlucht wegens vertragingscode 81. De kantonrechter is ten aanzien van de opgelegde CTOT wegens code 81 van oordeel dat de vertraging die is ontstaan door deze slotrestrictie aangemerkt kan worden als een buitengewone omstandigheid. Wanneer een vlucht een CTOT krijgt opgelegd, heeft deze vlucht niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. Een CTOT moet immers altijd worden opgevolgd en is niet inherent aan de normale bedrijfsuitvoering van een luchtvaartmaatschappij. Gesteld noch gebleken is dat de luchtverkeersleiding de CTOT wegens vertragingscode 81 heeft opgelegd door toedoen van de vervoerder. Een vertrekvertraging voor de duur van 42 minuten wegens vertragingscodes 81 is dan ook aan te merken als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. De vervoerder heeft voorts toegelicht dat de vertraging van de vlucht wegens vertragingscode 89 en 93 van in totaal 42 minuten van ondergeschikt belang is, nu de luchtverkeersleiding reeds twee uur voor de geplande vertrektijd van de vlucht – op een moment dat van de vertragingscode 93 dan wel 89 nog geen sprake was – herhaaldelijk verlate CTOT’s aan de vlucht heeft opgelegd wegens code 81. De kantonrechter oordeelt daarom dat, nu de 42 minuten vertraging ten gevolge van de opgelegde CTOT’s wegens vertragingscode 81, als een buitengewone omstandigheid dient te worden beschouwd, de vraag of de daarmee ‘overlappende’ vertraging van 42 minuten ten gevolge van andere vertragingscodes geen beantwoording meer behoeft.
5.6.
De stelling van de passagiers dat de vlucht meer dan een half uur voor de laatst opgelegde CTOT, te weten om 16:26 uur (UTC), is opgestegen, waardoor niet uitgesloten is dat de vlucht nog veel eerder had kunnen opstijgen, houdt naar het oordeel van de kantonrechter geen stand. De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat de vlucht een “Ready Message” aan de luchtverkeersleiding heeft afgegeven, waarmee zij de luchtverkeersleiding kenbaar heeft gemaakt klaar te staan om te vertrekken. Als andere vluchten hun slot missen, mogen volgens de vervoerder vluchten die een “Ready Message” hebben afgegeven dit slot overnemen. Toen een andere vlucht haar slot miste, heeft de onderhavige vlucht dit slot zodoende overgenomen en kon zij met toestemming van de luchtverkeersleiding om 15:42 uur (UTC) van de gate vertrekken, aldus de vervoerder. De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder de stelling van de passagiers hiermee voldoende gemotiveerd heeft weerlegd.
5.7.
Voorts is voldoende gebleken dat de uiteindelijke (langdurige) vertraging van de passagier van meer dan drie uur op de eindbestemming het directe gevolg is geweest van de vertraagde uitvoering van de vlucht. Vast staat dat de minimale overstaptijd te München 30 minuten bedraagt en dat de geplande overstaptijd 55 minuten bedroeg. De vertraging ontstaan als gevolg van de buitengewone omstandigheid van 42 minuten heeft het daarom voor de passagiers onmogelijk gemaakt om de aansluitende vlucht naar Beijing te halen. De uiteindelijke vertraging van de passagiers op de eindbestemming is dan ook het gevolg van een buitengewone omstandigheid.
5.8.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging als gevolg van de buitengewone omstandigheden te voorkomen dan wel te beperken. De kantonrechter overweegt als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, bedraagt de minimale overstaptijd op de luchthaven van München 30 minuten. De kantonrechter acht een buffer van 20 minuten noodzakelijk, hetgeen de vervoerder in acht heeft genomen. Voor zover de passagiers menen dat de vervoerder gehouden is tussen rotatievluchten een buffer aan te houden, houdt dit geen stand. De kantonrechter overweegt in dat verband dat de luchtvaartmaatschappij ingevolge het arrest van het Hof van 12 mei 2011 (Eglitis/Latvijas C-294/10) in een bepaalde reservetijd dient te voorzien om de vlucht zo mogelijk volledig te kunnen uitvoeren na afloop van de buitengewone omstandigheden, maar dat de voorgaande (rotatie)vluchten niet gerekend kunnen worden tot de (volledige) uitvoering van de vlucht zoals bedoeld in voormeld arrest.
5.9.
Daarnaast zijn de passagiers volgens de vervoerder omgeboekt naar de eerst mogelijke alternatieve vluchten van München naar Hong Kong en van Hong Kong naar de eindbestemming (Beijing). De kantonrechter overweegt dat van de vervoerder in beginsel niet kan worden gevergd dat hij voor het aanbieden van een alternatieve vlucht de passagiers de mogelijkheid geeft om te kiezen uit alle vluchten van die dag bij alle luchtvaartmaatschappijen. Het aanbieden van de eerst mogelijke vlucht van de vervoerder zelf, dan wel van een dochtermaatschappij, is in de meeste gevallen voldoende. Volgens het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19) is dit slechts anders indien de passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt. In het onderhavige geval zijn de passagiers echter dezelfde dag op de eindbestemming aangekomen. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de vervoerder door de passagiers om te boeken naar de eerstvolgende door hemzelf uitgevoerde vlucht, geen redelijk alternatief heeft geboden. De vordering van de passagiers tot betaling van compensatie wegens de vertraging van de vlucht zal dan ook worden afgewezen.
5.10.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat deze ongelijk krijgen.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 374,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
6.3.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter