Eiser verzocht om handhaving met betrekking tot de gang van zaken rondom zijn advocatenstage en het niet afgeven van een stageverklaring. Verweerder, de Deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, wees het verzoek af omdat het handhavingsverzoek niet op de patroon, maar op de handelswijze door anderen dan de patroon ziet. Volgens verweerder valt dit niet onder de bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheid op grond van artikel 45g van de Advocatenwet.
De rechtbank oordeelde dat slechts bepaalde bepalingen uit de Verordening van de advocatuur (Voda) bestuursrechtelijk handhaafbaar zijn, namelijk die welke hun grondslag vinden in artikel 45g van de Advocatenwet. Het verzoek van eiser valt hier niet onder, waardoor de Deken niet bevoegd is om bestuursrechtelijk handhavend op te treden. Daarnaast is vastgesteld dat er geen tuchtrechtelijke overtreding is geconstateerd, en dergelijke beslissingen zijn geen besluiten waartegen bezwaar en beroep openstaan.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond. Tevens werd eiser vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht. De afwijzing van het handhavingsverzoek blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.