Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Procedure
2.Feiten en omstandigheden
- [de minderjarige] (hierna mede te noemen: [de minderjarige] ).
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een verzoek van een man met de Turkse nationaliteit tot vervangende toestemming voor erkenning van zijn minderjarige kind, eveneens van Turkse nationaliteit, en verzoeken tot gezamenlijk gezag en omgang. De moeder betwist de erkenning en verzoekt deze te vernietigen op grond van Turks recht.
De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat Turks recht van toepassing is op de erkenning en toestemming. De erkenning door de man is volgens artikel 295 Turks Pro Burgerlijk Wetboek rechtsgeldig tot stand gekomen, waarbij toestemming van de moeder niet vereist is. De moeder kan de erkenning slechts tenietdoen indien zij bewijst dat de man niet de vader is, hetgeen niet het geval is. Verzoek tot vernietiging wordt daarom afgewezen.
De rechtbank oordeelt dat de bijzondere curator geen rol meer speelt nu Turks recht van toepassing is. Het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen omdat de communicatie tussen ouders zeer gespannen is en er geen basis is voor samenwerking, wat niet in het belang van het kind is.
Het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling wordt aangehouden in afwachting van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank benadrukt dat omgang alleen mogelijk is indien de man zijn dreigend gedrag achterwege laat en constructief meewerkt aan het belang van het kind.
Uitkomst: Erkenning van het kind door de vader wordt bevestigd, verzoek tot vernietiging afgewezen, gezamenlijk gezag geweigerd en omgang aangehouden voor nader onderzoek.