De veroordeelde was bij vonnis van 8 april 2021 veroordeeld tot een taakstraf van 70 uur met de bepaling dat bij niet-nakoming vervangende hechtenis van 35 dagen zou volgen. Het Openbaar Ministerie besloot op 27 september 2021 tot toepassing van 17 dagen vervangende hechtenis, waarvan de veroordeelde op 21 januari 2022 kennis kreeg. De veroordeelde diende op 17 januari 2022 een bezwaarschrift in tegen deze kennisgeving, waarin hij verzocht de taakstraf alsnog te mogen voltooien.
Tijdens de zitting op 7 februari 2022 werd het bezwaar behandeld, waarbij de veroordeelde niet aanwezig was, maar zijn advocaat wel. De reclassering rapporteerde dat de veroordeelde slechts 34 van de 68 uur taakstraf had uitgevoerd en ondanks meerdere kansen en aanpassingen niet in staat was de taakstraf volledig te voltooien. Het Openbaar Ministerie stelde dat de veroordeelde voldoende kansen had gehad en dat het bezwaar niet ontvankelijk of subsidiair ongegrond moest worden verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar wel ontvankelijk was, ondanks dat de vervangende hechtenis al was uitgevoerd, omdat de veroordeelde nog belang had bij behandeling van het bezwaar, onder meer voor een eventuele schadevergoeding. De inhoudelijke beoordeling leidde tot de conclusie dat de veroordeelde verwijtbaar de taakstraf niet volledig had verricht en dat geen uitzonderlijke omstandigheden waren gebleken die een herkansing rechtvaardigen.
Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar ongegrond en bevestigde de beslissing tot vervangende hechtenis. De uitspraak werd gedaan door politierechter L.J. Saarloos op 7 februari 2022.