ECLI:NL:RBNHO:2022:11223

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 november 2022
Publicatiedatum
15 december 2022
Zaaknummer
10124022 \ EJ VERZ 22-334
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 261 lid 2 RvArt. 69 RvArt. 111 Rv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek ontruimingsbescherming en voortzetting tegenverzoek ontruiming volgens dagvaardingsprocedure

Verzoekers dienden een verzoek in tot verlenging van de ontruimingstermijn op grond van artikel 7:230a BW. De kantonrechter oordeelde dat reeds bij een eerdere beschikking was vastgesteld dat geen sprake is van een huurovereenkomst, waardoor verzoekers geen aanspraak kunnen maken op ontruimingsbescherming. Daarom werden zij niet-ontvankelijk verklaard in hun nieuwe verzoek.

Verweerder had een tegenverzoek ingediend tot ontruiming van de percelen en dwangsom. De kantonrechter stelde vast dat dit tegenverzoek niet via verzoekschrift kan worden behandeld, maar via de dagvaardingsprocedure moet worden voortgezet. Het verweerschrift met het tegenverzoek werd als dagvaarding aangemerkt, en verweerder kreeg de gelegenheid om dit aan te passen aan de dagvaardingsregels.

De zaak werd aangewezen voor een rolzitting op 21 december 2022, waarbij verweerder de gedaagde(n) moet oproepen conform de wettelijke termijnen. Verzoekers werden veroordeeld tot betaling van proceskosten. Iedere verdere beslissing werd aangehouden.

Uitkomst: Verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot ontruimingsbescherming en het tegenverzoek tot ontruiming wordt voortgezet volgens de dagvaardingsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./repnr.: 10124022 \ EJ VERZ 22-334 BL
Uitspraakdatum: 22 november 2022
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eisers 1]

beiden wonende te [woonplaats 1]
2.
[eisers 2]
beiden wonende te [woonplaats 2]
3.
[eisers 3]
beiden wonende te [woonplaats 3]
verzoekende partijen
verder te noemen: gezamenlijk verzoekers en afzonderlijk [eisers 1] , [eisers 2] en [eisers 3]
gemachtigde: mr. E.C.W. van der Poel
tegen
[verweerder]in zijn hoedanigheid van erfgenaam van
[erflater]
wonende te [woonplaats 4]
verder te noemen: [verweerder]
gemachtigde: mr. J.L. Pit

1.Het procesverloop

Verzoekers hebben een verzoekschrift ingediend, ter griffie ingekomen op 30 september 2022. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

2.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

2.1.
Verzoekers hebben een verzoek gedaan tot verlenging van de ontruimingstermijn op grond van artikel 7:230a van het Burgerlijk Wetboek (BW), en vragen de kantonrechter (primair en subsidiair) hen niet-ontvankelijk te verklaren in dit verzoek. Meer subsidiair wordt verzocht om de termijn waarbinnen ontruiming zou moeten plaatsvinden van de door verzoekers van [verweerder] gehuurde grond te verlengen (tot en met 31 oktober 2023).
2.2.
[verweerder] stelt zich op het standpunt dat verzoekers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun verzoek, althans dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat – kort gezegd – de kantonrechter in een eerdere zaak tussen partijen (met zaaknr./rep.nr. 9611711 \ EJ VERZ 21-438) in een beschikking van 18 oktober 2022 heeft geoordeeld dat geen sprake is van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:230a BW, zodat verzoekers geen aanspraak kunnen maken op de ontruimingsbescherming van die bepaling. Het indienen van een tweede verzoek heeft geen consequenties voor de geldigheid van die uitspraak, en kan het gesloten systeem van rechtsmiddelen niet doorbreken, aldus [verweerder] .
2.3.
[verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan, en vraagt de kantonrechter te bepalen dat verzoekers de percelen moeten ontruimen, op straffe van een dwangsom. Hij legt daaraan ten grondslag dat verzoekers naar aanleiding van de beschikking van 18 oktober 2022 hebben verzuimd hun verzoek in te trekken, zodat het erop lijkt dat zij geen gevolg zullen geven aan de beschikking en niet vrijwillig tot ontruiming zullen overgaan, zodat [verweerder] belang heeft bij een veroordeling tot ontruiming.

3.De beoordeling

Het verzoek
3.1.
Het verzoekschrift dat op 30 september 2022 is ingediend (hierna: het nieuwe verzoek) heeft dezelfde strekking als het verzoek waarop bij eerdergenoemde beschikking van 18 oktober 2022 is beslist (hierna: het eerste verzoek). Ter toelichting van de reden van indiening van het nieuwe verzoek hebben verzoekers aangevoerd dat zij zich hiertoe genoodzaakt hebben gezien, gelet op de vervaltermijn voor het indienen van een tweede verlengingsverzoek en het feit dat ten tijde van indiening nog geen uitspraak was gedaan in de zaak van het eerste verzoek.
3.2.
Inmiddels is die uitspraak wel gedaan. In de beschikking van 18 oktober 2022 is geoordeeld dat (onder meer) geen sprake is van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:230a BW, en is het eerste verzoek van verzoekers afgewezen. Met [verweerder] is de kantonrechter van oordeel dat het gesloten systeem van rechtsmiddelen eraan in de weg staat dat het nieuwe verzoek tot ontruimingsbescherming op grond van artikel 7:230a BW inhoudelijk wordt beoordeeld. Dit betekent dat verzoekers niet-ontvankelijk worden verklaard in hun nieuwe verzoek.
3.3.
De proceskosten komen voor rekening van verzoekers, omdat zij ongelijk krijgen.
Het tegenverzoek
3.4.
[verweerder] heeft in zijn verweerschrift verzocht dat de kantonrechter bepaalt dat verzoekers de percelen moeten ontruimen. Dit verzoek behoort echter niet tot de zaken ten aanzien waarvan uit de wet voortvloeit dat zij met een verzoekschrift worden ingeleid, zoals bedoeld in artikel 261 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Verder volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 13 mei 1988 (NJ 1989/72) dat een tegenverzoek geen betrekking mag hebben op een geschil dat met een dagvaarding aan de rechter moet worden voorgelegd. [1] Een geschil waarop de regeling die geldt voor een dagvaardingsprocedure van toepassing is, kan niet worden gecombineerd met een geschil waarvoor de verzoekschriftprocedure is voorgeschreven.
3.5.
[verweerder] heeft de procedure die strekt tot ontruiming van de percelen dus niet met het juiste proces inleidende stuk aanhangig gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 69 Rv Pro zal de kantonrechter ambtshalve bevelen dat de procedure in de zaak van het tegenverzoek, in de stand waarin deze zich bevindt, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingprocedure.
3.6.
Daarbij zal het verweerschrift met daarin het tegenverzoek van [verweerder] , dat is ingediend op 1 november 2022, als dagvaarding worden aangemerkt. [verweerder] wordt in de gelegenheid gesteld om (op eigen kosten) bij herstelexploot zijn vordering en stellingen aan te passen aan de procesregels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, meer in het bijzonder aan het bepaalde in artikel 111 Rv Pro. In het herstelexploot moet tot uitdrukking worden gebracht wie volgens [verweerder] als gedaagde(n) moet(en) worden aangemerkt, tegen wie bij niet-verschijning na het uitbrengen van het herstelexploot verstek moet worden verleend.
3.7.
De kantonrechter bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van woensdag 21 december 2022 te 09.30 uur, en beveelt dat deze dag in het herstelexploot aan de door [verweerder] aan te merken gedaagde(n) wordt aangezegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 111 Rv Pro.
3.8.
Het herstelexploot moet worden uitgebracht met inachtneming van de voor de dagvaarding voorgeschreven termijnen en formaliteiten, en met mee betekening van het verweerschrift van 1 november 2022 en deze beschikking.
3.9.
Aan [verweerder] is tot op heden nog geen griffierecht in rekening gebracht. De kantonrechter wijst [verweerder] er op dat hij in de dagvaardingsprocedure een griffierecht verschuldigd zal zijn, dat zal worden berekend aan de hand van het op de griffie ingediende herstelexploot.
3.10.
Verder wordt [verweerder] erop gewezen dat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn tegenverzoek, wanneer het uit te brengen herstelexploot niet uiterlijk op de dag vóór de bepaalde rolzitting op de griffie is ingediend.
3.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De kantonrechter:
Het verzoek
4.1.
verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek;
4.2.
veroordeelt verzoekers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [verweerder] worden vastgesteld op een bedrag van € 249,00 aan salaris van de gemachtigde van [verweerder] ;
4.3.
verklaart de veroordeling in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Het tegenverzoek
4.4.
beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;
4.5.
stelt [verweerder] in de gelegenheid op eigen kosten bij herstelexploot zijn vordering en stellingen aan te passen aan de procesregels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;
4.6.
bepaalt dat de zaak op de rolzitting van de rechtbank Noord-Holland, sectie kanton, locatie Alkmaar zal komen van
woensdag 21 december 2022 te 09.30 uur;
4.7.
beveelt [verweerder] de door hem aan te merken gedaagde(n) tegen de hiervoor genoemde dag en tijd, met inachtneming van de wettelijke termijnen, bij (herstel)exploot op te roepen, onder betekening van deze beschikking en het verweerschrift van 1 november 2022;
4.8.
bepaalt dat het door [verweerder] te nemen processtuk uiterlijk de dag voor genoemde rolzitting om 12:00 uur ter griffie ontvangen moet zijn;
4.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.NJ 1989/72