Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
mr. G. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.P. Vroegh, advocaat te
‘s-Hertogenbosch, naar voren hebben gebracht.
1.Inleiding
- alle informatie met betrekking tot de aangetroffen postpakketten die zijn verzonden vanuit Nederland naar de Verenigde Staten, die overeenkomen met de modus operandi;
- alle conversaties die hebben plaatsgevonden met NN, die zich [account] noemt en [online identiteit 1] met gebruikmaking van PGP-telefoon en e-mail;
- wachtwoorden die zijn verschaft om toegang te krijgen tot de PGP-telefoon.
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
in Encrochat-zaken(hetgeen onderhavige zaak niet is) – onvoldoende duidelijk gemaakt welke specifieke gevolgen het stellen van de prejudiciële vragen voor de zaak van de verdachte heeft. Dit geldt temeer nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat – kort gezegd – van een samenwerking tussen de Nederlandse en Amerikaanse autoriteiten geen sprake is en daarmee het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan toetsing van de (Amerikaanse) opsporingshandelingen door de Nederlandse strafrechter. De aanvang van het onderzoek, de communicatie en wijze van informatie-uitwisseling en de wijze van overheveling van de resultaten van het Amerikaanse onderzoek naar de Nederlandse strafzaak is bovendien toetsbaar. Vooralsnog valt dan ook niet in te zien dat een beslissing van de Hoge Raad op prejudiciële vragen aangaande de toepassing van het vertrouwensbeginsel in Encrochat-zaken relevant zou kunnen zijn voor de onderhavige zaak van de verdachte. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij in deze zaak zelf geen aanleiding ziet om prejudiciële vragen te stellen. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak om de zaak aan te houden in afwachting van de mogelijk nog te stellen prejudiciële vragen. Het daarop gerichte aanhoudingsverzoek wordt dan ook afgewezen.
5.Beoordeling van het bewijs
6.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
7.Strafbaarheid van de verdachte
8.Motivering van de sanctie
12-jaarsgrond/geschokte rechtsorde acht de rechtbank niet meer aanwezig, aangezien de ten laste gelegde feiten zich ruim zes jaar geleden hebben voorgedaan en de voorlopige hechtenis van de verdachte sinds 13 januari 2017 is geschorst. Nu de verdachte zich na de onderhavige feiten in 2016 niet meer schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit, acht de rechtbank ook de recidivegrond niet langer aanwezig.
9.Verbeurdverklaring
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
- artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
11.Beslissing
43 [drieënveertig] maanden.
- 1 STK Telefoontoestel Kl: zwart BLACKBERRY B.1.5 incl. simkaart;
- 1 STK Telefoontoestel Kl: wit APPLE iphone B.1.12;
- 1 STK Sleutel J.1.1 alleen de sleutel van de Loods Hillegom.