Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
‘s-Hertogenbosch, naar voren hebben gebracht.
1.Inleiding
14 april 2016 is de piketdienst van het CHTS benaderd door de eigenaar van een [post inleverpunt] in Wijk aan Zee. Hij deelde mee dat er die dag 4 (vier) postpakketten waren ingeleverd door dezelfde persoon die ook op 8 april 2016 pakketten had aangeboden, die onderschept waren en drugs bleken te bevatten. Deze persoon zou vervolgens als bijrijder in een Volkswagen Caddy zijn gestapt met het kenteken [kenteken] (hierna: de Caddy).
- alle informatie met betrekking tot de aangetroffen postpakketten die zijn verzonden vanuit Nederland naar de Verenigde Staten, die overeenkomen met de modus operandi;
- alle conversaties die hebben plaatsgevonden met NN, die zich [account 1] noemt en [account 2] met gebruikmaking van PGP-telefoon en e-mail;
- wachtwoorden die zijn verschaft om toegang te krijgen tot de PGP-telefoon.
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
in Encrochat-zaken(hetgeen onderhavige zaak niet is) – onvoldoende duidelijk gemaakt welke specifieke gevolgen het stellen van de prejudiciële vragen voor de zaak van de verdachte heeft. Dit geldt temeer nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat – kort gezegd – van een samenwerking tussen de Nederlandse en Amerikaanse autoriteiten geen sprake is en daarmee het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan toetsing van de (Amerikaanse) opsporingshandelingen door de Nederlandse strafrechter. De aanvang van het onderzoek, de communicatie en wijze van informatie-uitwisseling en de wijze van overheveling van de resultaten van het Amerikaanse onderzoek naar de Nederlandse strafzaak is bovendien toetsbaar. Vooralsnog valt dan ook niet in te zien dat een beslissing van de Hoge Raad op prejudiciële vragen aangaande de toepassing van het vertrouwensbeginsel in Encrochat-zaken relevant zou kunnen zijn voor de onderhavige zaak van de verdachte. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij in deze zaak zelf geen aanleiding ziet om prejudiciële vragen te stellen. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak om de zaak aan te houden in afwachting van de mogelijk nog te stellen prejudiciële vragen. Het daarop gerichte aanhoudingsverzoek wordt dan ook afgewezen.
5.Beoordeling van het bewijs
)en de overige bewijsmiddelen vast dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de aliassen en de accounts met de naam ‘ [account 1] ’ en ‘ [alias] ’.
MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of 2C-B en/of LSD;
6.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
7.Strafbaarheid van de verdachte
8.Motivering van de sanctie
2C-B, amfetamine, crystal meth, cocaïne en LSD ter verkoop aangeboden. Op deze manier konden de drugs buiten zicht van politie en justitie anoniem worden verkocht. Als er bestellingen werden geplaatst, werden de drugs ter verzending ingepakt in de loods in Hillegom onder meer door de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] . Hierbij hebben zij er alles aan gedaan om op verhullende en geraffineerde wijze hun handel Nederland uit te voeren. In de loods waren twee ruimtes ingericht om de drugs zo in te pakken dat de producten er professioneel uitzagen (lees: niet de aandacht van de douane zouden trekken) en er geen DNA-sporen of vingerafdrukken achterbleven op de verpakkingen. De drugs werden verstopt in de verpakking van een regulier legaal product, te weten in puzzeldozen. Dit product werd vervolgens ingeseald met doorzichtig folie en ter verzending in een doos gedaan. De bestellingen werden de hele wereld over gezonden door middel van het aanbieden van de postpakketten bij verschillende PostNL-punten. De drugshandel werd verder verhuld door op de postpakketten met drugs retouradressen op te nemen van fictieve personen en niet bestaande adressen. De betaling van de drugs geschiedde in bitcoins, zodat ook de betalingen niet naar de verdachten konden worden herleid.
12-jaarsgrond/geschokte rechtsorde acht de rechtbank niet meer aanwezig, aangezien de ten laste gelegde feiten zich ruim zes jaar geleden hebben voorgedaan en de voorlopige hechtenis van de verdachte sinds 14 november 2017 is geschorst. Dit ligt anders voor de recidivegrond, nu de verdachte gedurende zijn schorsing in juli 2020 is aangehouden op verdenking van het overtreden van de Opiumwet, waarna de schorsing met ingang van 6 juli 2020 is opgeheven. Met ingang van 22 september 2020 is de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak wederom geschorst. Inmiddels is de verdachte voor dit feit uit juli 2020 in eerste aanleg veroordeeld, tegen welk vonnis de verdachte in hoger beroep is gegaan. De rechtbank acht de recidivegrond onverminderd aanwezig.
9.Verbeurdverklaring
10.Onttrekking aan het verkeer
11.Toepasselijke wettelijke voorschriften
- artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;
- artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
11.Beslissing
85 [vijfentachtig] maanden.
- 1 STK Computer HP LAPTOP 17-039410-13;
- 1 STK GSM-toestel WILEYFOX 17-039410-18;
- 1 STK Datadrager MEMORYSTICK 17-039410-22;
- 1 STK GSM-toestel HUAWEI 17-039416-34;
- 1 STK GSM-toestel HUAWEI 17-039410-15;
- 1 DS Doos TELEFOONDOOSJE 17-039410-50.
- 1 STK Wapen VUURWAPEN 17-039410-1;
- 1 STK Tas MET STEMPELS 17-058454-1;
- 1 DS Doos MET STEMPELS 17-058454-2.