ECLI:NL:RBNHO:2022:11411
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Berekening en vaststelling kinderbijdrage met toepassing werkelijke woonlasten man
In deze zaak staat de vaststelling van de kinderbijdrage centraal na eerdere beslissingen over de zorgregeling voor twee minderjarige kinderen. Partijen zijn het eens over de behoefte van de kinderen, gesteld op €619 per kind per maand, en de ingangsdatum van de bijdrage, 7 februari 2022.
De man werkt sinds 2005 bij een bedrijf in een duobaan vanwege zijn functie in een volcontinudienstrooster, wat deeltijd werken beperkt. Zijn bruto inkomen is vastgesteld op €3.130 per maand exclusief een persoonlijk budget dat hij spaart. De vrouw werkt parttime met een bruto jaarinkomen van €20.971 en ontvangt kindgebonden budget. De totale draagkracht van partijen was onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien.
De vrouw betwistte de draagkrachtberekening en stelde dat rekening moest worden gehouden met de werkelijke woonlasten van beide ouders. De rechtbank oordeelde dat alleen bij de man de werkelijke woonlast (€389) significant en duurzaam lager is dan de forfaitaire woonlast (€842), waardoor voor hem de werkelijke woonlast wordt toegepast. Voor de vrouw blijft het forfaitair bedrag van toepassing.
Hierdoor stijgt de draagkracht van de man en wordt de kinderbijdrage vastgesteld op €232 per kind per maand, rekening houdend met een zorgkorting van 35% vanwege de omgangsregeling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte is afgewezen.
Uitkomst: De man moet vanaf 7 februari 2022 een kinderbijdrage van €232 per kind per maand betalen aan de vrouw.