ECLI:NL:RBNHO:2022:11543

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
22 december 2022
Zaaknummer
15/060044-22 en 15/091497-21 (tul)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 14e SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke gevangenisstraf wegens ontuchtige handelingen met minderjarige

De rechtbank Noord-Holland heeft op 20 december 2022 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die ervan werd beschuldigd ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met een minderjarige van toen twaalf jaar. Verdachte had het geslachtsdeel van het slachtoffer over de kleding heen aangeraakt en hem gevraagd zijn geslachtsdeel te laten zien.

De rechtbank achtte de verklaringen van het slachtoffer en diens neef, die het incident bevestigden, voldoende betrouwbaar en overtuigend. De verdediging stelde dat er geen seksuele intentie was en dat het een grap was, maar dit werd verworpen. De handelingen werden als ontuchtig en strafbaar beoordeeld.

De rechtbank legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden op met een proeftijd van twee jaar, waarbij bijzondere voorwaarden gelden waaronder opname op een forensische psychiatrische afdeling en meldplicht bij de reclassering. Tevens werd een schadevergoeding van €250 toegekend aan het slachtoffer wegens immateriële schade. De proeftijd van een eerdere voorwaardelijke straf werd met één jaar verlengd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/060044-22 en 15/091497-21 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 20 december 2022
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
6 december 2022 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1],
feitelijk verblijvende te [adres 2].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.E. Stroink en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.C. van Hoogmoed, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 december 2021 te Bennebroek, gemeente Bloemendaal, althans in Nederland, met [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het aanraken en/of betasten en/of grijpen naar/van de (met kleding bedekte) piemel van die [benadeelde] en/of die [benadeelde] de woorden toe te voegen: 'Laat je piemel eens zien" en/of 'Mag ik je lul zien', althans woorden van gelijke aard of strekking.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Weliswaar heeft de verdachte erkend dat hij (over de kleding heen) het geslachtsdeel van het slachtoffer heeft aangeraakt, maar daarmee had hij geen seksuele intentie; het was naar eigen zeggen “een geintje”. Verder heeft hij van meet af aan ontkend dat hij de ten laste gelegde woorden heeft gebezigd. Dit alles maakt naar het oordeel van de verdediging dat de handeling van de verdachte niet als ontuchtig kan worden aangemerkt.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2
Bewijsmotivering
De verdachte heeft verklaard dat hij het geslachtsdeel van het slachtoffer over de kleding heen heeft aangeraakt, nadat hij aan het slachtoffer had gevraagd of hij hem wilde helpen bij het weggooien van het vuilnis. De verdachte heeft verklaard dat hij dit heeft gedaan als grap en om het slachtoffer te bedanken voor zijn hulp.
Uit de verklaring van het slachtoffer volgt dat de verdachte zijn geslachtsdeel heeft aangeraakt, na het helpen bij het weggooien van vuilnis. Daarbij heeft de verdachte volgens het slachtoffer gezegd: 'Laat je piemel eens zien’ en/of 'Mag ik je lul zien' of woorden van gelijke aard of strekking.
Deze verklaring van het slachtoffer wordt ondersteund door de verklaring van de neef van het slachtoffer, die bij het incident aanwezig was en die eveneens heeft verklaard dat de verdachte na de aanraking ook aan het slachtoffer heeft gevraagd of hij zijn piemel wilde laten zien. Het slachtoffer en zijn neef zijn meteen na het incident naar medewerkers van de GGZ instelling gegaan om melding te doen, en hebben vervolgens bij thuiskomt direct hun verhaal verteld aan de moeder van het slachtoffer. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van het slachtoffer en zijn neef, nu deze voldoende specifiek, consistent en eensluidend zijn. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte het geslachtsdeel van het slachtoffer over de kleding heen heeft aangeraakt en hem heeft gevraagd of hij zijn geslachtsdeel wilde laten zien.
Naar het oordeel van de rechtbank moet deze handeling van de verdachte, een volwassen man die het minderjarige slachtoffer niet kende, mede in het licht van zijn woordelijke uitlatingen, onmiskenbaar beschouwd worden als een handeling van seksuele aard die in strijd is met de geldende sociaal-ethische norm. De rechtbank acht dan ook bewezen dat er sprake is geweest van een ontuchtige handeling.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 21 december 2021 te Bennebroek, gemeente Bloemendaal met [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het aanraken en/of grijpen naar/van de (met kleding bedekte) piemel van die [benadeelde] en die [benadeelde] de woorden toe te voegen: 'Laat je piemel eens zien’ en/of 'Mag ik je lul zien', althans woorden van gelijke aard of strekking.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden in vorm van een meldplicht, opname in een zorginstelling en een contactverbod met het slachtoffer. De officier van justitie heeft gevorderd om deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de psychische problematiek van de verdachte en hem om die reden verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Voorts heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met het gegeven dat er in het afgelopen jaar geen noemenswaardige incidenten hebben plaatsgevonden en er op basis van zijn justitiële documentatie geen recidivegevaar aangenomen kan worden die zware bijzondere voorwaarden, zoals opname in een zorginstelling, rechtvaardigen. De raadsvrouw heeft verzocht om bij het opleggen van een voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarde van opname in een FPA niet op te leggen, nu de gevolgen van die voorwaarde niet meer in redelijke verhouding staan tot de aard en ernst van de zaak. De raadsvrouw is van mening dat civielrechtelijk beoordeeld moet worden of een gesloten afdeling een passende plek is voor de verdachte.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen bij het destijds 12-jarige slachtoffer. De verdachte heeft onverhoeds het geslachtsdeel van het minderjarige slachtoffer aangeraakt en hem gevraagd of hij zijn geslachtsdeel mocht zien. De verdachte had alleen oog voor de bevrediging van zijn eigen (lust)gevoelens en niet voor de impact die dit handelen op het jonge slachtoffer heeft gehad. Dergelijke ervaringen zijn ingrijpend en vormen een ongewenste beïnvloeding van de seksuele ontwikkeling van het jonge slachtoffer en van zijn ontwikkeling in het algemeen. Blijkens de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de moeder van het slachtoffer, is hij na het gebeuren angstiger geworden en vindt hij het nog steeds moeilijk om erover te praten. Dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 2 december 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 20 juli 2022 van [reclasseringswerker] als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland. Uit het advies volgt dat de verdachte is gediagnostiseerd met schizofrenie waarbij negatieve symptomen op de voorgrond staan. Onder andere zijn gebrekkige impulscontrole en geringe ziekte-inzicht zijn risico verhogend. De behandeld psycholoog geeft aan dat GGZ Ingeest niet de juiste zorg en behandeling kan bieden aan de verdachte en graag ziet dat de verdachte geplaatst wordt op een forensische psychiatrische afdeling. Daar is ook aandacht voor het seksueel grensoverschrijdende gedrag en is er op lange termijn verwijzing mogelijk naar een vorm van verblijfszorg. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de e-mail van 1 december 2022 van [reclasseringswerker] met een update van het voorlichtingsrapport. Zij vermeldt dat de verdachte kan worden opgenomen bij een forensische kliniek welke onderdeel is van GGZ Noord-Holland Noord te Heiloo, met als voorkeursdatum voor opname 22 december 2022.
Ter terechtzitting is [reclasseringswerker] als getuige gehoord en heeft zij het advies gehandhaafd en nader toegelicht.
De straf
De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Wegens de persoon van de verdachte zal de rechtbank echter een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank acht het van belang dat de verdachte de juiste zorg krijgt en dat is blijkens het advies van de reclassering niet bij de instelling waar hij op dit moment verblijft. De verdachte kan blijkens het reclasseringsadvies de benodigde zorg wel krijgen op een forensisch psychiatrische afdeling, waarbij ook aandacht en meer gespecialiseerde behandeling mogelijk is voor zijn seksueel grensoverschrijdende gedrag. Zoals de officier van justitie heeft toegelicht zijn in een forensisch kader meer mogelijkheden in het kader van recidivebeperking en is het beveiligingsniveau hoger. De rechtbank kan de reclassering en de officier van justitie hierin volgen.
De rechtbank acht dan ook verplicht contact met de reclassering en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden bij het voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk. Anders dan door de officier van justitie gevorderd, zal de rechtbank geen contactverbod met het slachtoffer opleggen aan de verdachte. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat het feit inmiddels één jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat de verdachte binnen afzienbare tijd zal verhuizen gelet op de opgelegde bijzondere voorwaarden. Daarnaast ziet de rechtbank in dit geval voorzienbare moeilijkheden bij de uitvoering van een contactverbod.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Naar het oordeel van de rechtbank moet er tenslotte, gelet op de bewezenverklaring en gelet op het herhalingsgevaar, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De rechtbank zal daarom bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De vordering
Namens de benadeelde partij [benadeelde] is een vordering tot schadevergoeding van
€ 500,- wegens immateriële schade ingediend tegen de verdachte, die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er geen sprake is van daadwerkelijk geleden schade.
Oordeel van de rechtbank
Ter terechtzitting heeft de moeder van de benadeelde partij toegelicht dat hij het nog altijd moeilijk heeft met het bewezenverklaarde, dat hij schrikachtig is en dat hij het lastig vindt om over het gebeurde te praten en de rechtbank acht dit, mede gelet op de jonge leeftijd van de benadeelde partij, voorstelbaar.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij voldoende concreet gemaakt dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Hoewel er geen aantoonbaar psychisch letsel aanwezig is, brengt naar het oordeel van de rechtbank de aard en de ernst van de normschending mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor het slachtoffer zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank vergoeding van een bedrag van € 250,- billijk. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: ontucht met iemand beneden de zestien jaar] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 21 september 2021 in de zaak met parketnummer 15/091497-21 heeft de rechtbank te Noord-Holland, locatie Haarlem de verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 750,-. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 30 september 2021 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 5 oktober 2021 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd. De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de proeftijd dient te worden verlengd met één jaar, nu het toewijzen van de vordering tot tenuitvoerlegging op dit moment niet aangewezen is, mede gelet op de (financiële) situatie van de verdachte. De rechtbank zal bepalen dat de daarbij gestelde voorwaarden ongewijzigd blijven.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 247 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
2 (twee) maanden, met bevel dat deze straf
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • de verdachte zich laat opnemen in een forensische psychiatrische afdeling of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
  • de verdachte zich blijft houden aan de meldplichten en de afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Als de verdachte klinisch opgenomen wordt zal de meldplicht, afhankelijk van de vrijheden van de verdachte, in eerste instantie bij een FPA plaatsvinden. De verdachte valt onder de verantwoordelijkheid van de reclassering verbonden aan het gebied waar de FPA zich bevindt.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[benadeelde]geleden schade tot een bedrag van
€ 250,-, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 250,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verlengt de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem in de zaak met parketnummer 15/091497-21 opgelegde proeftijd, verbonden aan de niet ten uitvoer gelegde geldboete ter hoogte van € 750,-, met één jaar.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.E. Allegro, voorzitter,
mr. A. Buiskool en mr. H. Bakker, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 december 2022.
Mr. H. Bakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.