ECLI:NL:RBNHO:2022:11651
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening voor urgentieverklaring woningtoewijzing
Verzoekster, afkomstig uit Spanje en met haar gezin in Nederland woonachtig sinds 2020, vroeg op 19 december 2021 een urgentieverklaring aan voor woningtoewijzing bij de gemeente Velsen. Haar aanvraag werd op 10 maart 2022 afgewezen vanwege verwijtbaar handelen, onvoldoende inzet en het feit dat het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen had kunnen worden.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek tot voorlopige voorziening op 17 mei 2022. Verzoekster stelde dat haar ernstige depressieve klachten onvoldoende waren meegewogen, maar verweerder betoogde dat deze klachten geen relatie hadden met de woonsituatie. De rechter oordeelde dat het actuele woonprobleem per 1 juni 2022 ontstaat, maar dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet leidt tot onmiddellijke oplossing, omdat een urgentieverklaring niet direct een woning garandeert.
De hoorzitting over het bezwaar zou op 25 mei 2022 plaatsvinden, waarna een beslissing op bezwaar verwacht werd. De voorzieningenrechter benadrukte dat een voorlopige voorziening alleen passend is bij een vrijwel zekere toekenning van urgentie, wat hier niet het geval was. Daarom werd het verzoek afgewezen zonder toekenning van griffierecht of proceskosten.
De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts op 30 mei 2022 en bindt niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van een urgentieverklaring wordt afgewezen.