De zaak betreft een kort geding tussen voormalige partners die samen twee minderjarige kinderen hebben. De man huurt sinds 2006 een woning, waarin de vrouw sinds 2016 zonder medehuurderschap is komen wonen. Na het beëindigen van hun relatie in oktober 2021 vertrok de man uit de woning, terwijl de vrouw met de kinderen achterbleef.
De man vordert dat de vrouw de woning per 31 december 2022 verlaat, omdat zij geen contractuele rechten heeft en weigert te vertrekken. De vrouw stelt dat het in het belang van de kinderen is dat zij in de vertrouwde omgeving blijven en dat zij geen alternatieve woonruimte kan vinden. Ook wijst zij op mogelijke sloop van de woning.
De voorzieningenrechter weegt de belangen af en oordeelt dat het gebruiksrecht van de woning aan de man toekomt, maar dat het belang van de vrouw en kinderen om nog enkele maanden te blijven prevaleert. Daarom wordt de vrouw veroordeeld om de woning uiterlijk 1 maart 2023 te verlaten, zonder inzet van de sterke arm. Over overige vorderingen is tussen partijen overeenstemming bereikt. De proceskosten worden gecompenseerd.