AirHelp vordert compensatie namens een passagier die door vertraging van een vlucht van Singapore naar München de aansluitende vlucht naar Amsterdam miste. De passagier arriveerde uiteindelijk met meer dan drie uur vertraging op de eindbestemming. De vervoerder, Deutsche Lufthansa, betwist de vordering en stelt dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden.
De kantonrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat de passagier recht heeft op compensatie volgens Verordening (EG) nr. 261/2004, tenzij de vervoerder aantoont dat de vertraging door buitengewone omstandigheden kwam en dat alle redelijke maatregelen zijn genomen. De vervoerder heeft echter geen minimale buffer in de overstaptijd gepland; de overstaptijd was zelfs korter dan de minimale vereiste 45 minuten.
Hierdoor was het voor de passagier onmogelijk om de aansluitende vlucht te halen, ook zonder buitengewone omstandigheden. De vertraging is daarom niet aan buitengewone omstandigheden toe te rekenen. De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van €600 plus wettelijke rente vanaf de dag van aankomst op de eindbestemming en tot vergoeding van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.