ECLI:NL:RBNHO:2022:1203

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2022
Publicatiedatum
15 februari 2022
Zaaknummer
9577953 WM
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WAHVArt. 14 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen boete voor gebruik verdrijvingsvlak bij ritsen

Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens het gebruik van een verdrijvingsvlak tijdens het ritsen, wat in strijd is met de verkeersregels. Na beroep bij de officier van justitie en diens afwijzing, stelde betrokkene beroep in bij de kantonrechter. Op de zitting was de officier van justitie aanwezig, betrokkene niet.

De kantonrechter baseert zich vooral op de verklaring van de verbalisant, die meldde dat betrokkene ondanks tijdige borden nog voertuigen inhaalde en het verdrijvingsvlak gebruikte om tussen voertuigen te manoeuvreren. Betrokkene voerde overmacht aan, maar dit werd verworpen omdat de borden tijdig aangaven dat bestuurders moesten ritsen en betrokkene had moeten anticiperen.

De kantonrechter ziet geen reden om de boete te matigen en verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is in het openbaar gedaan en er is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken, mits de boete hoger is dan € 70,00.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens gebruik van het verdrijvingsvlak wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 9577953 \ WM VERZ 21-719
CJIB-nummer : 23700083
Uitspraakdatum : 21 januari 2022
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 21 januari 2022. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.
In WAHV-zaken biedt de verklaring van een verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. Dit is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen.
Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:
(…) Gedragingsgegevens: Ik, verbalisant, zag dat betrokkene met zijn voertuig nog een aantal voertuigen ging inhalen, terwijl middels borden al was aangegeven dat hij moest ritsen. Ik, verbalisant, zag dat betrokkene met gebruikmaking van het verdrijvingsvlak zijn voertuig nog net tussen twee andere voertuigen kon manoeuvreren. (…)”
Betrokkene is staande gehouden en heeft verklaard:
“Ik was er even niet bij.”
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Iedere weggebruiker die zich niet aan de verkeersregels houdt loopt het risico om bekeurd te worden. Betrokkene doet een beroep op overmacht. Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen sprake van een geslaagd beroep op overmacht. Door middel van borden is tijdig aangeven dat bestuurders moeten ritsen. Betrokkene had een andere keuze moeten maken en moeten anticiperen op de naderende verkeerssituatie. De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

De uitspraak

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Voogd, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: