ECLI:NL:RBNHO:2022:12245

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 december 2022
Publicatiedatum
7 februari 2023
Zaaknummer
9986414 \ CV EXPL 22-4043
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vader moet saldo en achterstallige stortingen spaarrekening aan dochter terugbetalen

In deze zaak vordert de dochter betaling van het saldo van haar spaarrekening, dat door haar vader in 2014 zonder haar toestemming werd opgeheven en overgemaakt naar zijn eigen rekening. De vader erkent een deel van het bedrag verschuldigd te zijn, maar betwist de volledige vordering.

De rechtbank oordeelt dat de vader onrechtmatig heeft gehandeld door het saldo van de spaarrekening zonder toestemming over te maken en veroordeelt hem tot betaling van het volledige saldo van €3.566,60, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 november 2014. Daarnaast moet de vader de achterstallige stortingen betalen die hij volgens het echtscheidingsconvenant verschuldigd was, zijnde €45 per kwartaal over 33 kwartalen, totaal €1.485, met wettelijke rente vanaf de dagvaarding.

De rechtbank wijst de hogere vordering van de dochter af omdat onvoldoende is onderbouwd dat zij meer schade heeft geleden. De vader wordt tevens veroordeeld in de proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 21 december 2022 gewezen door de kantonrechter.

Uitkomst: De vader wordt veroordeeld tot betaling van het saldo van de spaarrekening en achterstallige stortingen aan de dochter, met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 9986414 \ CV EXPL 22-4043
Vonnis van de kantonrechter van 21 december 2022 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. M.C.E. Klunder,
tegen
[vader],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vader,
gemachtigde: mr. L.J. Woltring.

1.De zaak in het kort

In 2014 heeft de vader de spaarrekening van [eiseres] opgeheven en het saldo overgemaakt naar zijn eigen rekening. [eiseres] wil dit geld terug. De vader erkent dat [eiseres] recht heeft op dit geld, maar stelt dat hij een gedeelte daarvan al aan haar heeft voldaan. De kantonrechter verwerpt dit verweer en wijst de vordering van [eiseres] toe. Verder wil [eiseres] dat de vader de bedragen aan haar betaalt die hij op de spaarrekening had moeten storten tot het moment waarop zij 18 jaar werd. Volgens [eiseres] gaat het om een bedrag van € 90 per kwartaal, maar volgens de vader hoefde hij slechts de helft daarvan te storten. De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de vader € 90,- per kwartaal moest betalen, maar wijst de vordering voor het overige toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding, met producties,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • het tussenvonnis van 31 augustus 2022,
  • de mondelinge behandeling van 12 december 2022, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
In 2010 is de echtscheiding uitgesproken tussen de moeder van [eiseres] en de vader. Daarbij hebben zij een echtscheidingsconvenant gesloten dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking (hierna: het echtscheidingsconvenant). Artikel 1.6 van het echtscheidingsconvenant luidt als volgt:
"Partijen houden spaarrekeningen voor de kinderen. De inleg bedraagt € 90,-- per kind per kwartaal, welk bedrag partijen gezamenlijk, ieder voor de helft zullen voldoen."
3.2.
Op 11 april 2011 heeft de vader een bedrag van € 90,- overgemaakt naar de spaarrekening van [eiseres] (hierna: de spaarrekening). Ook op 10 oktober 2011 heeft de vader een bedrag van € 90,- overgemaakt naar de spaarrekening.
3.3.
Op 6 januari 2014 bedroeg het saldo van de spaarrekening € 3.566,60.
3.4.
Op 5 november 2014 heeft de vader de spaarrekening opgeheven en het saldo van de spaarrekening overgemaakt naar zijn eigen rekening.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert – samengevat en zoals toegelicht tijdens de mondelinge behandeling – veroordeling van de vader, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan haar van € 7.000,-, althans € 6.536,60, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
De vader voert verweer. Hij erkent een bedrag van € 2.346,- schuldig te zijn aan [eiseres] en concludeert voor het overige tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met compensatie van de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Het draait in deze zaak om twee vragen met betrekking tot de spaarrekening van [eiseres] . De eerste vraag is of de vader onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] door de rekening op te heffen en het saldo over te maken naar zijn eigen rekening en of hij dat saldo alsnog aan [eiseres] moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dat het geval is. De tweede vraag is of de vader de achterstallige stortingen alsnog aan [eiseres] moet betalen. Ook die vraag beantwoordt de kantonrechter bevestigend. Het volgende heeft de kantonrechter tot dit oordeel gebracht.
De vader moet het saldo van de spaarrekening aan [eiseres] betalen
5.2.
Vaststaat dat de spaarrekening alleen op naam van [eiseres] stond en alleen aan [eiseres] toebehoorde. Door zonder medeweten en goedvinden van [eiseres] de spaarrekening op te heffen en het geld naar zichzelf over te boeken, heeft de vader onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] . Hij moet daarom in beginsel het gevorderde bedrag van € 3.566,60 aan haar terugbetalen.
5.3.
De vader heeft aangevoerd dat hij een deel van het spaargeld al aan [eiseres] heeft voldaan. Hij heeft het spaargeld namelijk gebruikt om een bedrag van € 2.650,- aan achterstallige kinderbijdrage aan de moeder van [eiseres] te betalen. Daarmee is het geld ten nutte van [eiseres] gekomen volgens de vader. De kantonrechter verwerpt dit betoog. Vaststaat dat de vader het bedrag niet aan [eiseres] (zelf) heeft betaald. Daarnaast was de kinderbijdrage bestemd voor zowel [eiseres] als haar broer. Dat een deel van het bedrag misschien "ten nutte van" [eiseres] is gekomen, is niet voldoende om bevrijdend aan [eiseres] te betalen.
5.4.
De vader moet dus het gehele bedrag van € 3.566,60 alsnog aan [eiseres] betalen. Daarnaast moet hij over dat bedrag wettelijke rente betalen vanaf de datum waarop hij het geld van de spaarrekening heeft opgenomen, dus vanaf 5 november 2014.
De vader moet ook de achterstallige stortingen aan [eiseres] betalen
5.5.
[eiseres] en de vader zijn het erover eens dat in het echtscheidingsconvenant is bepaald dat de vader de helft van € 90,- per kwartaal op de spaarrekening moest storten. Ook zijn ze het erover eens dat [eiseres] nakoming kan vragen van die afspraak.
5.6.
[eiseres] heeft gesteld dat haar moeder en de vader na het sluiten van het echtscheidingsconvenant hebben afgesproken dat de vader niet de helft van € 90,-, maar de volledige € 90,- per kwartaal zou storten, maar deze stelling heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd. Uit de twee bankafschriften waarnaar zij heeft verwezen valt weliswaar af te leiden dat de vader twee keer een bedrag van € 90,- op de spaarrekening heeft gestort, maar niet dat deze betalingen op een (nieuwe) afspraak tussen haar moeder en de vader berusten. Daarbij komt dat de vader gemotiveerd heeft betwist dat sprake was van een nieuwe afspraak. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij toegelicht dat hij een tijd lang uit zichzelf en uit goede wil een bedrag van € 90,- per kwartaal op de spaarrekening heeft gestort, maar dat dit niet gebaseerd was op een afspraak met de moeder van [eiseres] . Tegenover deze betwisting had het op de weg van [eiseres] gelegen haar stelling van meer onderbouwing te voorzien, maar dat heeft zij niet gedaan. De kantonrechter gaat daarom uit van de afspraken die in het echtscheidingsconvenant zijn vastgelegd, en dus van een verplichting van de vader om per kwartaal € 45,- op de spaarrekening te storten.
5.7.
De vordering van [eiseres] is gebaseerd op 33 kwartalen achterstallige stortingen. De vader heeft erkend dat hij 32 kwartalen had moeten storten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij bevestigd dat hij ook het laatste kwartaal – dus tot [eiseres] 18e verjaardag – had moet storten. De kantonrechter gaat daarom uit van 33 kwartalen aan achterstallige stortingen.
5.8.
Het voorgaande betekent dat de vader 33 kwartalen x € 45,- = € 1.485,- aan achterstallige stortingen op de spaarrekening aan [eiseres] verschuldigd is. Daarnaast moet hij over dat bedrag wettelijke rente betalen vanaf de datum van de dagvaarding. Er is namelijk niet gebleken dat hij eerder in verzuim was.
De hogere vordering van [eiseres] wordt afgewezen
5.9.
[eiseres] heeft gevorderd dat de vader wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7.000,-, althans € 6.536,60. Voor zover de vordering het bedrag van € 6.536,60 te boven gaat, wijst de kantonrechter deze vordering af. [eiseres] heeft namelijk niet (voldoende) onderbouwd dat en waarom [eiseres] voor dat hogere bedrag schade heeft geleden als gevolg van het handelen van de vader.
De vader moet de proceskosten van [eiseres] betalen
5.10.
De vader is de partij die ongelijk krijgt. Voor compensatie van de proceskosten, zoals de vader heeft voorgesteld, ziet de kantonrechter geen aanleiding. De vader zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiseres] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
129,49
- griffierecht
86,00
- eigen bijdrage toevoeging
156,00
- salaris gemachtigde
622,00
(2,00 punten × € 311,00)
Totaal
993,49
5.11.
Ook zal de vader worden veroordeeld tot betaling van € 124,- aan nakosten, voor zover [eiseres] daadwerkelijk nakosten maakt.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt de vader om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.051,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over:
  • het bedrag van € 3.566,60 (saldo spaarrekening) met ingang van 5 november 2014,
  • het bedrag van € 1.485,00 (achterstallige stortingen op de spaarrekening) met ingang van 28 juni 2022,
telkens tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt de vader in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot dit vonnis vastgesteld op € 993,49,
6.3.
veroordeelt de vader in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 124,- aan salaris gemachtigde, voor zover [eiseres] daadwerkelijk nakosten maakt,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Steeg-Tijms en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2022.