Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2022 in de zaken tussen
de heer [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoorn, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- Datum opname: maandag 16 december 2002.
- Peildatum: 1 januari 2001.
- Opdracht: bepalen van de onderhandse verkoopwaarde leeg en vrij van huur en gebruik.
- Doel: de waardebepaling zal dienen bij fiscale afrekening bij verkoop.
- Gebruik: het gehele object is bij opdrachtgevers in eigen gebruik, c.q. bij de werkmaatschappij [bedrijfsnaam 2] . De geschatte huurwaarde bedraagt € 178.000,- per jaar.
- Een beknopte omschrijving van de onroerende zaak.
- Waardebegrip: onderhandse verkoopwaarde leeg en vrij van huur.
- Waarde: € 2.430.000.
-/- € 248.722. Het verzamelinkomen is opgebouwd uit een inkomen uit werk en woning (box 1) van -/- € 269.527 en een inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 20.805. Bij het inkomen uit werk en woning (box 1) is als resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen een bedrag van -/- € 313.165 in aanmerking genomen. Ter bepaling van dit resultaat is een bedrag van € 77.064 in aanmerking genomen als bruto resultaat en een bedrag van € 432.934 in aanmerking genomen als kosten. Eiser heeft de kosten bepaald door de helft van het verschil te nemen van de boekwaarde van de onroerende zaak per 1 januari 2001 van € 1.955.869 en de taxatiewaarde per 11 september 2015 van € 1.090.000. De boekwaarde is bepaald door de waarde in het economisch verkeer per 1 januari 2001 van € 2.430.000 te verminderen met afschrijvingslasten over de jaren 2001-2015 van totaal € 474.131.
De economische waarde per 01-01-2001 is getaxeerd op p.m.’ hetgeen volgens eiser betekent dat de werkelijke waarde een andere is dan die in de balans is vermeld. Eiser verwijst ook naar de taxatie 2002 waarin de onroerende zaak wordt getaxeerd op € 2.430.000 naar een waarde leeg en vrij van huur. Omdat ten tijde van het einde van de terbeschikkingstelling de onroerende zaak was verhuurd en laatstgenoemde taxatie dat niet in aanmerking heeft genomen, verwijst eiser ook naar de taxatie 2020. De taxatie 2020 stelt de waarde van de onroerende zaak in verhuurde staat op peildatum 1 januari 2001 vast op een waarde in het economisch verkeer van € 2.320.000.