Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd voor het parkeren op een plaats bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen. Hiertegen stelde betrokkene beroep in bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de kantonrechter.
Op de zitting was de vertegenwoordiger van de officier van justitie aanwezig, betrokkene verscheen niet. De kantonrechter baseerde zich op de verklaring van de verbalisant, die stelde dat gedurende tien minuten geen laad- of losactiviteiten rond het voertuig waren waargenomen. Betrokkene stelde dat er de hele dag werd geladen en gelost, maar dit werd niet aannemelijk geacht.
De kantonrechter hanteerde de definitie van de Hoge Raad (HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760), waarin onmiddellijk laden of lossen wordt omschreven als het bij voortduring in- of uitladen van goederen direct na het tot stilstand brengen van het voertuig gedurende de benodigde tijd. Omdat er geen activiteiten waren gedurende een periode van tien minuten, was er geen sprake van onmiddellijk laden of lossen.
Verder oordeelde de kantonrechter dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden, ondanks dat op andere momenten mogelijk niet werd gehandhaafd. De boete werd daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.