Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd waartegen hij beroep instelde bij de officier van justitie. Deze verklaarde het beroep ongegrond of niet-ontvankelijk, waarna betrokkene hoger beroep instelde bij de kantonrechter. De officier van justitie vernietigde de boete en kende een proceskostenvergoeding toe.
Het beroepschrift van betrokkene richtte zich uitsluitend tegen de hoogte van deze proceskostenvergoeding, stellende dat de zaak ten onrechte als samenhangend met 19 andere zaken was aangemerkt. De officier van justitie stelde dat de zaken terecht als samenhangend werden beschouwd omdat het om identieke pro forma beroepen ging zonder inhoudelijke gronden en zonder hoorzitting.
De kantonrechter constateerde dat de 20 zaken inderdaad pro forma en vrijwel identiek waren, met standaard tekstblokken en gelijke beroepsgronden, en dat gelijktijdig werd beslist. Betrokkene kon onvoldoende onderbouwen waarom er geen samenhang zou zijn. Daarom oordeelde de kantonrechter dat de werkzaamheden voor de gemachtigde nagenoeg identiek waren en dat de samenhang juist was vastgesteld.
Hierdoor werd het beroep tegen de proceskostenvergoeding ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van proceskosten afgewezen. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter B. Voogd en is openbaar.