ECLI:NL:RBNHO:2022:12393
Rechtbank Noord-Holland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek rechter in zaak opheffing schorsing voorlopige hechtenis
Verzoeker, verdachte in een strafzaak, was in voorlopige hechtenis en onder voorwaarden geschorst met verblijf op een opgegeven adres. De officier van justitie vorderde opheffing van deze schorsing wegens vermeende overtreding van de verblijfvoorwaarde. Tijdens de raadkamerzitting verzocht verzoeker de wraking van de rechter die deze vordering behandelde, stellende dat de rechter vooringenomen was door een opmerking over het niet naleven van de schorsingsvoorwaarde op een boze toon.
De wrakingskamer oordeelde dat de rechter in het kader van zijn onderzoek de verdachte mocht ondervragen en confronteren met feiten uit het dossier zonder dat dit duidt op vooringenomenheid. De opmerking van de rechter werd gezien als onderdeel van de ondervraging en niet als een definitief oordeel. Ook de vermeende boze toon rechtvaardigde geen twijfel aan de onpartijdigheid.
De wrakingskamer concludeerde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor subjectieve of objectieve partijdigheid van de rechter. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen en het proces in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek van de verdachte tegen de rechter is afgewezen wegens ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.