Verzoekers, houders van een vergunning voor zegenvisserij op het IJsselmeer, maakten bezwaar tegen een besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dat hun zegenrecht beperkte van zeven naar twee dagen. De beperking is gebaseerd op adviezen van Wageningen Marine Research om het brasembestand te beschermen en te laten herstellen.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening en oordeelde dat het spoedeisend belang ontbrak. Verzoekers konden niet aannemelijk maken dat zij sinds 2015 hun zegenrecht zelf hebben uitgeoefend of verhuurd, en ook niet dat er sprake was van een financiële noodsituatie. Het plan van de zoon van verzoeker om te gaan zegenvissen was onvoldoende concreet onderbouwd.
De rechter concludeerde dat een financieel belang op zichzelf niet voldoende is voor een voorlopige voorziening zonder zware financiële noodsituatie. Gezien deze omstandigheden wees de voorzieningenrechter het verzoek af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.