ECLI:NL:RBNHO:2022:1326

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 januari 2022
Publicatiedatum
17 februari 2022
Zaaknummer
C/15/323895 HA RK 22/3
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen rechter afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

Verzoeker diende op 21 december 2021 een wrakingsverzoek in tegen drie rechters, waaronder de rechter mr. A.E. Merkus, in een lopende kantonzakenprocedure. Op 30 december 2021 werd dit verzoek kennelijk ongegrond verklaard. Vervolgens diende verzoeker op 4 januari 2022 een tweede wrakingsverzoek in tegen dezelfde rechter, nu met de wetenschap dat deze rechter daadwerkelijk het vonnis in de hoofdzaak zou wijzen en dat hij een verzoek om uitstel had afgewezen.

De wrakingskamer overwoog dat volgens het Wrakingsprotocol een volgend wrakingsverzoek tegen dezelfde rechter zonder nieuwe feiten of omstandigheden niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Verzoeker stelde dat de nieuwe feiten – de daadwerkelijke betrokkenheid van de rechter en het afwijzen van uitstel – pas na het eerste verzoek bekend waren geworden en dat dit de vrees voor partijdigheid objectief rechtvaardigde.

De wrakingskamer oordeelde echter dat verzoeker reeds bij het eerste verzoek wist dat mr. Merkus mogelijk betrokken zou raken en dat het afwijzen van uitstel ook binnen die kennis viel. Er waren geen feiten of omstandigheden aangevoerd die pas na het eerste verzoek bekend werden. Daarom werd het tweede wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De zaak wordt voortgezet in de stand van 4 januari 2022. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het tweede wrakingsverzoek tegen de rechter is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer
Locatie Alkmaar
zaaknummer / rekestnummer: C/15/323895 HA RK 22/3
Beslissing van 18 januari 2022
op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats],
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. A.E. Merkus
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

1.1.
Verzoeker heeft op 21 december 2021 schriftelijk de wraking verzocht van onder meer de rechter. Bij deze rechtbank, Sectie Kanton, locatie Alkmaar, is een zaak aanhangig met als zaak- en rolnummer 9530598 \ CV EXPL 21-5577, hierna te noemen: de hoofdzaak.
Verzoeker is in de hoofdzaak de gedaagde partij.
1.2.
Op 4 januari 2022 heeft verzoeker een “2e Wrakingsverzoek” ingediend tegen de rechter.
1.3.
De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek.

2.De beoordeling

2.1.
Op het wrakingsverzoek van 21 december 2021 heeft de wrakingskamer bij beschikking van 30 december 2021 beslist.
Ten aanzien van deze rechter is het verzoek toen kennelijk ongegrond verklaard.
2.2.
Artikel 5 van Pro het Wrakingsprotocol van deze rechtbank bepaalt onder meer dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds niet-ontvankelijk kan verklaren indien het een volgend verzoek ten aanzien van eenzelfde rechter betreft, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Verzoeker is ook bekend met deze bepaling, want hij verwijst er zelf naar.
2.3.
Ter onderbouwing van de nieuwe feiten of omstandigheden na 21 december 2021 voert verzoeker het volgende aan:
“Was de wraking in het 1e wrakingsverzoek gericht tegen mr. Merkus als mogelijk toekomstig betrokken rechter, het onderhavige (2e) wrakingsverzoek is gebaseerd op de wetenschap dat mr. Merkus (“de rechter”) in de hoofdzaak daadwerkelijk vonnis zal wijzen als Unus iudex. Bovendien is verzoeker nu bekend dat mr. Merkus het verzoek om uitstel heeft afgewezen.
Als gevolg van deze nieuwe wetenschap in samenhang met andere bijkomende omstandigheden, is bij verzoeker de vrees dat in de onderhavige zaak aan de rechterlijke onpartijdigheid getwijfeld kan worden waardoor deze schade zou kunnen lijden, en dat die vrees bovendien ontstaan objectief gerechtvaardigd is, (“from the point of view of the external observer”) waarbij zeker ook de schijn van partijdigheid van belang is, welke schijn te vermijden was geweest teneinde te voorkomen dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Daar deze feiten en omstandigheden verzoeker pas nu bekend zijn, heeft verzoeker het 2e
wrakingsverzoek aanmerkelijk preciezer kunnen motiveren. Het 1e wrakingsverzoek hield namelijk slechts rekening met de mogelijkheid dat mr. Merkus in enig stadium bij de zaak betrokken zou raken, zodat dit 1e wrakingsverzoek noodzakelijkerwijs ten aanzien van mr. Merkus bij gebrek aan feitelijke wetenschap was aangewezen op een meer subjectieve ondertoon.”
2.4.
Verzoeker heeft zijn verzoek van 21 december 2021 gericht tegen drie rechters, waaronder de rechter tegen wie zijn nieuwe verzoek zich nu richt.
Aan verzoeker is – volgens zijn nieuwe verzoek – nu gebleken dat inderdaad een van de drie rechters de aangevallen beslissing tot het niet verlenen van uitstel heeft genomen. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoeker met wat hiervoor onder 2.3 is aangevoerd, geen feiten of omstandigheden vermeld die hem op 21 december 2021 ook al niet bekend waren.
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

3.Beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk;
3.2.
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en aan de eisende partij in de hoofdzaak een afschrift van deze beslissing toe te zenden,
3.3.
bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op 4 januari 2022 en beveelt daartoe de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan de voorzitter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, team Handel, Kanton en Bewind.
Deze beslissing is gegeven door mr. L.J. Saarloos, voorzitter, mr. B. Voogd, en
mr. N. Boots, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Kliffen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2022.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.