ECLI:NL:RBNHO:2022:1437

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 februari 2022
Publicatiedatum
21 februari 2022
Zaaknummer
8852244 \ CV EXPL 20-9161
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 8:1390 BWArt. 8:1835 BWVerordening (EG) nr. 261/2004
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Passagiers niet-ontvankelijk in vordering compensatie vertraagde vlucht wegens vervaltermijn

De passagiers hebben een vordering ingesteld tegen de vervoerder Swiss International Air Lines A.G. wegens vertraging van hun vlucht van Amsterdam naar Bali via Zurich en Singapore in mei 2018. Zij vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004, waarbij zij een bedrag van € 600 per passagier claimden.

De vervoerder betwistte de vordering en stelde primair dat deze niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de vordering na de wettelijke vervaltermijn was ingesteld. Subsidiair voerde zij aan dat sprake was van een buitengewone omstandigheid die de vertraging rechtvaardigde.

De kantonrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de vervaltermijn van twee jaar uit artikel 8:1835 BW Pro van toepassing is op vorderingen uit overeenkomsten van luchtvervoer. De passagiers hadden hun vordering pas op 9 september 2020 ingediend, terwijl de termijn was verlopen op 29 mei 2020, twee jaar na de aankomst op de eindbestemming.

Omdat de passagiers niet tijdig hadden geprocedeerd, werden zij niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering. De proceskosten werden aan de passagiers opgelegd, vastgesteld op € 374,00 volgens het liquidatietarief. Er was geen aanleiding tot een hogere proceskostenveroordeling wegens gebrek aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen.

Uitkomst: Passagiers worden niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de tweejarige vervaltermijn en veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8852244 \ CV EXPL 20-9161
Uitspraakdatum: 16 februari 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[passagier sub 1]

2. [passagier sub 2]
beiden wonende te [woonplaats] (Indonesië)
eisers
hierna gezamenlijk te noemen de passagiers
gemachtigde Yource B.V.
tegen
de buitenlandse rechtspersoon
SWISS International Air Lines A.G.
gevestigd te Bazel (Zwitserland)
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. E.A. Pluijm

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 9 september 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagiers zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de productie bij de schriftelijke reactie van de vervoerder. De passagiers hebben niet meer gereageerd.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol naar Zurich Airport (Zwitserland), vervolgens naar Changi Airport (Singapore) op 28 mei 2018 en ten slotte naar Bali op 29 mei 2018.
2.2.
De vlucht van Amsterdam naar Zurich is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht naar Singapore gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een vervangende vlucht naar Singapore en zijn van daaruit doorgereisd naar Bali.
2.3.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met vermeend tijdsverlies.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der incident;
- € 181,50 althans een in redelijkheid te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;
- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering. Hij voert primair aan dat de passagiers nietontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering, omdat de vordering na de wettelijke vervaldatum is ingesteld. Subsidiair voert de vervoerder aan dat de vertraging is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
In het arrest van het Hof van 22 november 2012, C-139/11 Cuadrench Moré/KLM heeft het Hof bepaald dat de termijn waarbinnen vorderingen tot betaling van de in de artikel 7 van Pro de Verordening bedoelde compensatie moeten worden ingesteld, wordt bepaald overeenkomstig de voorschriften van de verschillende lidstaten. Dit betekent dat op de onderhavige vervaltermijn het Nederlands recht van toepassing is.
5.3.
Het gaat hier om een vordering ter zake van een overeenkomst van luchtvervoer in de zin van artikel 8:1390 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Deze vaststelling is onder meer daarom van belang nu artikel 8:1835 BW Pro bepaalt dat iedere vordering uit hoofde van een dergelijke overeenkomst vervalt door verloop van twee jaren, welke termijn aanvangt met de dag volgend op de dag van aankomst van het luchtvaartuig ter bestemming of de dag waarop het luchtvaartuig had moeten aankomen of van de onderbreking van het luchtvervoer.
5.4.
De passagiers stellen zich bij conclusie van repliek op het standpunt dat de vervaltermijn van artikel 8:1835 BW Pro ongunstiger is dan de bepalingen die voor soortgelijke nationale vorderingen gelden, hetgeen volgens het Europese Hof verboden is. De kantonrechter is van oordeel dat de overeenkomst van luchtvervoer een bijzondere overeenkomst is en de algemene verjaringstermijnen van boek 3 BW derhalve niet van toepassing zijn.
5.5.
Onduidelijk is wanneer de passagiers op hun eindbestemming zijn aangekomen. Dit komt voor rekening en risico van de passagiers, nu het op de weg van de passagiers had gelegen om dit te stellen. Volgens de vervoerder zijn de passagiers op 29 mei 2018 omgeboekt naar een vervangende vlucht van Zurich naar Singapore en zijn de passagiers vanaf daar naar Bali doorgereisd. De passagiers hebben dit niet weersproken. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de passagiers niet later dan 29 mei 2018 op hun eindbestemming te Bali zijn gearriveerd. De datum waarop de termijn van twee jaren gaat lopen is dus, zo blijkt uit artikel 8:1835 BW Pro, 30 mei 2018. Daarmee staat vast dat de laatste dag waarop de passagiers de vordering hadden kunnen indienen 29 mei 2020 is. Dat is immers de laatste dag voordat de twee jarentermijn is verlopen. De dagvaarding is uitgebracht op 9 september 2020. Dit betekent dat de vordering niet vóór de vervaldatum van 30 mei 2020 is ingediend. De passagiers moeten daarom nietontvankelijk worden verklaard in hun vordering.
5.6.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij niet-ontvankelijk zijn in hun vordering. De vervoerder heeft eerst in dupliek verzocht om een integrale proceskostenveroordeling. De passagiers hebben hier niet op kunnen reageren. Ook los daarvan ziet de kantonrechter geen aanleiding om af te wijken van het toepasselijke liquidatietarief. Een vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten (in afwijking van het liquidatietarief) is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiervan is in dit geval geen sprake, omdat de vordering van de passagiers niet evident ongegrond of bij voorbaat kansloos is en geen sprake is van onrechtmatig handelen of nalaten aan de kant van de passagiers. De proceskosten zullen dan ook volgens het toepasselijke liquidatietarief worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
verklaart de passagiers niet-ontvankelijk in hun vordering;
6.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 374,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
6.3.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter