Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
2.De beoordeling
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Poolse nationaliteit.
is gegrond.
op het huwelijksvermogensregime.
Partijen hebben na hun huwelijkssluiting weliswaar enige tijd in Polen doorgebracht, maar
de man heeft gemotiveerd betwist dat het ooit de bedoeling van partijen was zich in Polen te vestigen. Tussen partijen staat vast dat de man, na de breuk met zijn toenmalige vriendin,
in 2016 bij zijn moeder in [plaats] is gaan wonen. Hier heeft hij de vrouw heeft leren kennen als de verzorgster van zijn moeder.
De woning in [plaats] is in 2017 verkocht (volgens de vrouw begin 2017, volgens de man in juni 2017) en vervolgens heeft de man een woning in [plaats] gekocht.
Uit de leveringsakte volgt dat deze woning op 11 juli 2017 aan de man is verkocht en op
18 augustus 2017 aan hem is geleverd.
Uit de Basisregistratie Personen (BRP) volgt dat de man gedurende het hele huwelijk als Nederlands ingezetene stond ingeschreven; vanaf 1 november 2016 op het adres in [plaats] en vanaf 18 augustus 2017 op het adres in [plaats] .
Uit het BRP blijkt dat vervolgens de vrouw zich op 18 september 2017 ook heeft ingeschreven op het adres in [plaats] .
Dit komt overeen met de stelling van de man dat híj altijd in Nederland heeft gewoond en de vrouw zich enkele maanden na de huwelijkssluiting bij hem in Nederland heeft gevoegd. Voorts staat tussen partijen vast dat de man zijn meubels nooit heeft meegenomen naar Polen en dat hij zich nooit als ingezetene van dat land heeft laten inschrijven. Ter zitting heeft de vrouw gezegd dat dat laatste een verplichting is voor iemand die zich in Polen vestigt.
Overigens is de vrouw, ook na de feitelijke scheiding, in Nederland blijven wonen.
en de overige verzoeken aan te houden, omdat zij pas kan reageren op de verzoek van de man als zij weet welk recht van toepassing is.
Zo is niet gesteld of gebleken dat - overeenkomstig het procesreglement - de vrouw geen ‘formulier verdelen en verrekenen’ heeft kunnen indienen. Bij een dergelijk overzicht van de huwelijksgoederengemeenschap en de daaraan te koppelen waardes, had zij haar standpunt kunnen toespitsen op de situatie waarbij Pools dan wel Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime.
als onweersproken toewijzen, nu dit niet onredelijk voorkomt.
De man dient de op deze woning rustende hypothecaire leningen voor zijn rekening te nemen en er voor zorg te dragen dat de vrouw binnen twee maanden uit de hoofdelijke aansprake-lijkheid wordt ontslagen.
toegedeeld aan de man.
De rechtbank ziet geen aanleiding hier een dwangsom aan te verbinden.
Zij dienen ieder een bedrag van € 891 te betalen.
Zij dienen ieder een bedrag van € 23.711,50 te betalen.