De passagiers vorderden compensatie van de vervoerder TUI Airlines Nederland B.V. wegens een vluchtvertraging van meer dan drie uur op 19 augustus 2016, veroorzaakt door een bird strike tijdens een eerdere vlucht met hetzelfde toestel. De vervoerder verweerde zich met het argument dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk de noodzakelijke inspectie na de bird strike, en dat alle redelijke maatregelen waren getroffen om de vertraging te beperken.
De rechtbank stelde vast dat de bird strike en de daaropvolgende inspectie als buitengewone omstandigheden kwalificeren, conform het arrest Pešková van het Hof van Justitie. Er was een rechtstreeks causaal verband tussen de eerdere vlucht en de vertraagde vlucht. De vervoerder had bovendien adequaat gehandeld door passagiers over de weg te vervoeren om een tussenstop te vermijden, waardoor de totale vertraging werd beperkt.
Hoewel de passagiers stelden dat de inspectie een standaardprocedure was en dat de vervoerder onvoldoende rekening had gehouden met reservetijd, oordeelde de rechtbank dat van de vervoerder niet verwacht kon worden dat uren extra reservetijd werd ingecalculeerd. De kleine luchthavens waren gesloten op het moment dat het toestel weer luchtwaardig was, en de vervoerder had toestemming om eerder te vertrekken maar koos ervoor passagiers rust te gunnen.
De rechtbank wees de vordering tot compensatie af en veroordeelde de passagiers tot betaling van de proceskosten. Hiermee bevestigde de rechtbank dat de vervoerder niet aansprakelijk is voor de vertraging vanwege de buitengewone omstandigheden en de getroffen maatregelen.