Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens het parkeren van een voertuig voor een inrit, in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Betrokkene voerde verweer dat het geen in- of uitrit zou betreffen, maar de kantonrechter oordeelde dat de kenmerken van de locatie, zoals grote deuren, een verlaagde stoeprand en een wit kruis, wel duiden op een in- of uitrit.
De officier van justitie liet een aanvullend proces-verbaal opmaken, ondersteund met foto’s, die het verbod bevestigden. Betrokkene verscheen niet op de zitting, terwijl de vertegenwoordiger van de officier van justitie wel aanwezig was. De kantonrechter stelde vast dat de gedraging voldoende was komen vast te staan en dat het verweer onvoldoende was om de boete te matigen of te vernietigen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd. De uitspraak werd gedaan op 11 februari 2022 door kantonrechter P.J. Jansen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken, mits de boete hoger is dan € 70,00.