De rechtbank Noord-Holland heeft op 5 april 2022 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel deed tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor handel in heroïne. De vordering betrof een bedrag van €408.300,69, gebaseerd op bewezenverklaarde feiten en andere strafbare feiten waarvan voldoende aanwijzingen bestonden.
De procedure kende meerdere zittingen, waaronder een regiezitting en het horen van partijen. De verdediging voerde aan dat het voordeel aanzienlijk lager moest worden vastgesteld, omdat de woning waarin heroïne werd aangetroffen zou zijn verhuurd aan een vriend die de drugs zou hebben geleverd. Dit verweer werd door de rechtbank verworpen, mede omdat twee getuigen waren overleden en de verklaringen van afnemers en telefoontaps het langdurige handelen van de veroordeelde ondersteunden.
De rechtbank achtte het aannemelijk dat de veroordeelde gedurende meerdere jaren heroïne heeft verhandeld en baseerde de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de door de officier van justitie gebruikte methode. Hierbij werd uitgegaan van een verkochte hoeveelheid van 44 kilo versneden heroïne tegen een straatprijs van €21.000 per kilo, met aftrek van investeringen en huurkosten. Het uiteindelijke bedrag werd vastgesteld op €408.300,69, dat de veroordeelde aan de staat moet betalen.
De rechtbank bepaalde tevens de duur van de gijzeling op maximaal 1080 dagen, waarbij de betalingsverplichting onverminderd blijft. De uitspraak werd gewezen door de meervoudige strafkamer te Alkmaar onder leiding van voorzitter J.J. Roos.