ECLI:NL:RBNHO:2022:29

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 januari 2022
Publicatiedatum
4 januari 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 6640
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging bijstandsuitkering wegens onjuiste opgave gewerkte uren

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem de bijstandsuitkering van verzoekers beëindigd en teruggevorderd wegens het niet juist opgeven van het aantal gewerkte uren. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat uit rapportages van sociaal rechercheurs onomstotelijk blijkt dat verzoeker meer uren heeft gewerkt dan opgegeven. Ondanks confrontatie met deze gegevens hield verzoeker vol niet meer te hebben gewerkt. De verklaringen van verzoeker en zijn werkgever stroken niet met de waarnemingen, waardoor sprake is van schending van de inlichtingenplicht.

De voorzieningenrechter stelde vast dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het recht op uitkering vanaf 18 juni 2021 niet vaststaat. De gestelde schending van proportionaliteit en subsidiariteit door verzoeker werd verworpen omdat het onderzoek op afstand en vanaf de openbare weg plaatsvond en passend was gezien de verdenking van zwartwerken.

De voorzieningenrechter wees het verzoek tot voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/6640
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 januari 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] ,verzoeker en
[verzoekster] ,verzoekster, te [woonplaats] , samen te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. B. Mous),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Mohan).

Procesverloop

In het besluit van 8 december 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van verzoekers op grond van de Participatiewet (PW) met ingang van 9 december 2021 beëindigd en ingetrokken met ingang van 18 juni 2021. Tevens heeft verweerder de kosten van bijstand ter hoogte van € 6.319,70 (netto) van verzoekers teruggevorderd.
Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 januari 2022 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
In een zaak als deze is er aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat heeft het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet.
Het bestreden besluit berust op rapportages van sociaal rechercheurs/toezichthouders. Die rapporten behelzen onder meer een weergave van de waarnemingen die zijn verricht bij de twee locaties van de werkgever van verzoeker. Daaruit komt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ontegenzeggelijk naar voren dat verzoeker vaker in de periode van 18 juni 2021 tot en met 20 september 2021 werkzaamheden heeft verricht voor werkgever dan hij volgens de salarisspecificaties, die hij over die periode aan verweerder heeft verstrekt, heeft gedaan. Verzoeker is met die gegevens geconfronteerd, maar hij is bij zijn standpunt gebleven dat hij in die periode niet meer heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven. Ook de werkgever heeft in die zin verklaard. Die verklaringen stroken naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geenszins met de waarnemingen. Dat maakt dat verzoeker daarover in ieder geval meer uitleg had moeten geven. Daarom heeft verweerder terecht geconcludeerd dat verzoeker de inlichtingenplicht heeft geschonden. Nu verzoeker ook nadien geen inzicht heeft gegeven in de tot aan het bestreden besluit daadwerkelijk aantal gewerkte uren, heeft verweerder naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen concluderen dat het recht op uitkering met ingang van 18 juni 2021 niet is vast te stellen.
Dat de waarnemingen in strijd zijn met het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals ter zitting is gesteld, kan de voorzieningenrechter niet volgen. Verweerder heeft in algemene zin de bevoegdheid om onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van een uitkering. Daarbij moet wel worden voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat dat in dit geval niet zo is. De waarnemingen zijn op afstand en vanaf de openbare weg gedaan. Daarmee wordt geen vrijwel compleet beeld van iemands persoonlijk leven gekregen. Nu de melding inhield dat sprake was van zwart werken, is het maar zeer de vraag of inzage van bankafschriften, zoals door verzoeker in het kader van het beroep op het beginsel van subsidiariteit naar voren is gebracht, een volledig en juist beeld van de werkelijke situatie zou geven.
Ten aanzien van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht ten aanzien van de betekenis van de stageovereenkomst voor de rechtmatigheid van het besteden besluit is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit niet een ander oordeel kan leiden. Immers deze overeenkomst liep van 10 februari 2020 tot 10 maart 2020 en die periode ligt ruimschoots voor de periode waarin waarnemingen zijn verricht waarbij verzoeker vele malen werkend is aangetroffen.
Dat verzoeker zou zijn gestopt met zijn werkzaamheden na het bestreden besluit maakt niet dat dat besluit als gevolg daarvan niet meer rechtmatig zou zijn.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2022 door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.