In deze zaak vorderen de zoon en dochter medehuurderschap van de woning die hun vader huurt. De vader is sinds het overlijden van zijn vrouw de enige huurder. De verhuurder, Parteon, weigert dit medehuurderschap toe te kennen omdat zij meent dat er geen sprake is van hoofdverblijf en een duurzame gemeenschappelijke huishouding, en dat de financiële waarborg onvoldoende is.
De kantonrechter stelt vast dat de zoon en dochter sinds respectievelijk 1994 en 2007 op dezelfde adressen als hun vader staan ingeschreven en sinds 2015 gezamenlijk op het adres van de woning. Ondanks tegenargumenten van Parteon, waaronder een huisbezoek en het feit dat de zoon getrouwd is en zijn gezin elders woont, acht de rechter het aannemelijk dat de zoon en dochter hun hoofdverblijf in de woning hebben. Dit wordt ondersteund door verklaringen van zorgverleners en familie.
De rechter overweegt dat hoewel een ouder-kindrelatie doorgaans niet duurzaam is, hier sprake is van een bijzondere situatie met onderlinge zorg en afhankelijkheid, mede ingegeven door psychische en medische omstandigheden en culturele achtergrond. De gezamenlijke huishouding wordt bevestigd door gezamenlijke kosten, maaltijden, huishoudelijke taken en sociale activiteiten.
Financieel bieden de kinderen voldoende waarborg voor nakoming van de huur. De vordering wordt daarom toegewezen en Parteon wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en nasalaris. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.