De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten met de vervoerder voor een vlucht die vanwege de COVID-19-pandemie werd geannuleerd. De passagier vordert restitutie van de ticketprijs, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De vervoerder betwist de verschuldigdheid en stelt dat de ticketprijs reeds is terugbetaald, hetgeen de passagier betwist met bewijs van terugstorting door ICS wegens een fout bij de vervoerder.
De kantonrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat de passagier recht heeft op volledige terugbetaling van de ticketprijs op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de passagier de betaling niet heeft ontvangen. Daarom wordt de vervoerder veroordeeld tot betaling van € 1.148,94 plus wettelijke rente vanaf 18 maart 2020.
Daarnaast wijst de kantonrechter de buitengerechtelijke incassokosten toe van € 172,34, gebaseerd op redelijke tarieven uit het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten van € 427,00 komen eveneens voor rekening van de vervoerder. Het verzoek tot meer of anders gevorderde zaken wordt afgewezen. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.