ECLI:NL:RBNHO:2022:3377

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 april 2022
Publicatiedatum
19 april 2022
Zaaknummer
C/15/321392 / FA RK 21-5050
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:7 BWArt. 3 Besluit houdende regels voor de geslachtsnaamwijzigingArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarig kind afgewezen wegens ontvankelijkheidsvereiste

De moeder verzoekt de rechtbank om de geslachtsnaam van haar minderjarige kind te wijzigen in haar eigen naam, omdat zij spijt heeft van de eerdere keuze voor de naam van de vader. De moeder heeft eerst een procedure doorlopen bij Dienst Justis, waarbij het verzoek werd afgewezen vanwege het niet voldoen aan de verzorgingstermijn van vijf jaar. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard.

De moeder startte vervolgens deze civiele procedure, stellende dat zij recht heeft op toegang tot de civiele rechter en dat de bestuursrechtelijke procedure niet voldoet aan internationale normen, met name artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelt dat de moeder de juiste bestuursrechtelijke weg heeft gevolgd en dat deze procedure met voldoende waarborgen is omkleed. De civiele rechter is daarom niet bevoegd om inhoudelijk te oordelen over het verzoek.

De rechtbank constateert dat de moeder inmiddels beroep heeft ingesteld bij de bestuursrechter tegen het besluit van Dienst Justis en dat deze procedure nog loopt. De enkele stelling dat de bestuursrechtelijke procedure langer duurt, is onvoldoende om de civiele procedure ontvankelijk te verklaren. De moeder wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot geslachtsnaamwijziging.

Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van haar minderjarige kind.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
geslachtsnaamwijziging
zaak-/rekestnr.: C/15/321392 / FA RK 21-5050
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 19 april 2022
in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna mede te noemen: de moeder,
advocaat mr. C.P.M. Engels, kantoorhoudende te Heerhugowaard.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de vader],
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna mede te noemen: de vader.

1.Procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ingekomen op 12 oktober 2021;
- de brief, met bijlagen, van de moeder, ingekomen op 14 december 2021.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 maart 2022 in aanwezigheid van de moeder, bijgestaan door mr. C.P.M. Engels, en de vader.

2.Feiten en omstandigheden

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Uit deze relatie is geboren de minderjarige [de minderjarige] :
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .
2.3.
De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [de minderjarige] .

3.Verzoek

3.1.
De moeder verzoekt te bepalen dat [de minderjarige] voortaan de geslachtsnaam van de moeder zal dragen, te weten “ [geslachtsnaam] ”.
3.2.
Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de moeder gesteld dat zij spijt heeft van de keuze van partijen om [de minderjarige] de geslachtsnaam van de vader te geven. Deze keuze is nooit bewust en om duidelijke redenen gemaakt. De moeder acht het een ongewenste verwijdering tussen haar en [de minderjarige] dat zij niet dezelfde geslachtsnaam dragen en hierdoor de eenheid van naam in haar gezin ontbreekt. Bovendien belemmert het de moeder in haar nog bestaande kinderwens dat een volgend kind een andere geslachtsnaam dan [de minderjarige] zal hebben. Het is voor haar belastend dat uit de geslachtsnamen zal blijken dat zij kinderen bij meerdere vaders heeft. De vader stemt in met de wens van de moeder om de geslachtsnaam van [de minderjarige] te wijzigen. Het daartoe strekkend verzoek bij Dienst Justis is echter afgewezen, enkel omdat niet is voldaan aan de vereiste verzorgingstermijn van vijf jaren. Het bezwaar van de moeder tegen dit besluit is ongegrond verklaard.
3.3.
De moeder stelt dat het besluit van Dienst Justis een ongeoorloofde beperking van het recht op familieleven van haarzelf en [de minderjarige] betreft, omdat zij nog niet kan hebben voldaan aan de verzorgingstermijn nu [de minderjarige] nog geen vijf jaar oud is. De moeder wenst juist te voorkomen dat [de minderjarige] went aan zijn huidige geslachtsnaam naarmate hij ouder wordt.

4.Beoordeling

4.1.
De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de moeder het onderhavige verzoek aan de juiste rechter heeft gericht en of zij derhalve ontvankelijk is in haar verzoek.
4.2.
Vast staat dat de moeder de wettelijk aangewezen weg heeft gevolgd en ingevolge artikel 1:7 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind heeft gedaan bij de Koning via Dienst Justis. In het Besluit houdende regels voor de geslachtsnaamwijziging (hierna: het Besluit), zijn nadere regels gesteld met betrekking tot de gronden waarop de geslachtsnaamwijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en de behandeling van dergelijke verzoeken. Het verzoek van de moeder is afgewezen. Vervolgens is het bezwaar dat de moeder tegen dit besluit heeft gemaakt, ongegrond verklaard.
4.3.
Uit het besluit en de beslissing op bezwaar van Dienst Justis blijkt dat het verzoek van de moeder is afgewezen omdat niet is voldaan aan de verzorgingstermijn van vijf jaren zoals vermeld in artikel 3, lid 1 sub a, in samenhang met artikel 3, lid 2, van het Besluit. Volgens Dienst Justis moet grote terughoudendheid worden betracht in geslachtsnaamwijzigingen voor minderjarigen jonger dan twaalf jaar. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geeft de verdragslanden een zekere beleidsvrijheid, waardoor toetsing aan het Besluit geen inmenging in het familie- en gezinsleven vormt. De ambtenaar van Dienst Justis heeft geen ruimte om af te wijken van de verzorgingstermijn. Er kan ook geen rekening worden gehouden met de toekomstige gebeurtenis dat [de minderjarige] zich steeds bewuster zal worden van zijn geslachtsnaam.
4.4.
Gebleken is dat de moeder inmiddels beroep bij de bestuursrechter heeft ingesteld tegen voormelde beslissing op bezwaar en dat in deze zaak een mondelinge behandeling zal worden gepland.
4.5.
De moeder heeft gesteld dat de procedure bij Dienst Justis en de daarna te volgen gang naar de bestuursrechter in strijd is met internationale regelgeving, in het bijzonder het door artikel 8 EVRM Pro beschermde privé- en familieleven. Volgens de moeder heeft zij recht op toegang tot de civiele rechter, omdat in het onderhavige geval de burgerrechten van haarzelf en het kind in het geding zijn. Om die reden heeft zij – naast de procedure bij de bestuursrechter – ook onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de civiele rechter.
4.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt van de wetgever is dat toetsing van een verzoek tot geslachtsnaamswijziging is voorbehouden aan de Koning op de wijze zoals neergelegd in het Besluit. De bestuursrechtelijke rechtsgang van bezwaar en beroep betreft een met voldoende waarborgen omklede, effectieve rechtsgang waar in overeenstemming met van toepassing zijnde verdragen, wetten en rechtsbeginselen kan worden beslist en waarbij alle relevante omstandigheden die de moeder heeft aangevoerd, kunnen worden betrokken. De moeder kan ook bij de bestuursrechter een beroep doen op de internationale regelgeving, waaronder artikel 8 EVRM Pro, omdat ook in bestuursrechtelijke procedures de bepalingen van het EVRM en de uitleg die het EHRM daaraan heeft gegeven, rechtstreeks van toepassing zijn (zie ook ECLI:NL:GHARL:2020:650).
4.7.
Nu door de wetgever een bijzondere bestuursrechtelijke procedure in het leven is geroepen, is een inhoudelijke beoordeling van het verzoek door de civiele rechter niet op zijn plaats. De enkele stelling van de moeder dat de procedure bij de bestuursrechter langer duurt dan een civielrechtelijke procedure, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen nu niet is gebleken dat de bestuursrechtelijke procedure zodanig lang duurt dat daarmee een redelijke termijn wordt overschreden. Het voorgaande brengt mee dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek, zodat als na te melden wordt beslist.

5.Beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, kinderrechter, in tegenwoordigheid van T. Jelierse, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2022.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.